Oct 122012
 

Vanuit Kuşadasi is het wat meer dan een uur naar Izmir met een grote bus. Op de ‘otogar’ (busstation) moesten we even wachten op de gratis pendelbus naar het gunstig gelegen trein- en metrostation Basmane. We sliepen weer in het eenvoudige, maar sfeervolle ‘otel’ Hurriyet, niet ver van het station. De man-op-de-stoel herkende ons nog van drie weken geleden.

We slenterden door de smalle straatjes van de bazaar om kleine souvenirtjes te kopen. We kwamen langs een balama-bouwer (een muziekinstrument beter bekend als saz). Een enthousiaste man speelde enige typische Turkse liedjes. Ik ging naar de kapper, omdat er hier meer tijd voor is en het heel goedkoop is. We dronken nog ‘nar suyu’, gezond granaatappelsap, en ‘çay’ in AgoraVitamin, letterlijk ‘vitamineplein’. Het is een klein winkeltje, waar je fruitsappen en kleine hapjes kunt krijgen en waar we rustig kunnen zitten en gratis gebruik kunnen maken van het internet (Wi-Fi). We kregen zelfs een laptop aangeboden. De vriendelijke mensen zorgen goed voor ons!

Met de trein, waarin de kaartjes gewoon met een pen werden afgekrast, gingen we rechtstreeks naar de luchthaven. Onze vlucht terug was op tijd en de zitplaats beter (ruimer en niet vlakbij de wc’s) dan op de heenweg. Twee treinen brachten ons het laatste stuk naar huis, wat nog een beetje onwennig aanvoelde. Over het weer zal ik het maar niet hebben …

Het is makkelijk om in West-Turkije te reizen. Het vervoer en de hotels of ‘pansiyons’ zijn comfortabel. Het eten is goed en betrouwbaar, hoewel er geen grote variatie is, zeker niet voor vegetariërs. Wie van archeologische vindplaatsen houdt, kan hier zijn hart ophalen, al is het alleen al omdat ze zich vaak op mooie plaatsen bevinden. Het weer is in september nog aan de warme kant, rond de 30 graden. In oktober daalt de temperatuur naar aangenamere waarden, maar de kans op regen (mooie luchten!) neemt ook toe. Voor degenen die ook een reis naar Turkije plannen: wij waren samen ca. 55 euro per dag kwijt. Het meeste geld hebben we besteed aan overnachtingen en aan vervoer. Eten en drinken is relatief goedkoop.

Typisch Turks:

  • Pide, köfte, bōrek, cimit, ayran
  • Theehuisjes waar mannen kaarten
  • Wakker worden van de oproep v/d moskee
  • Internet, thee en koekjes in de intercitybus
  • Çay uit tulpvormige glaasjes met klontjes rietsuiker
  • Het beschermende ‘oog’
  • Dolmuş (kleine busjes voor personenvervoer)
  • Pul biber (grof gemalen gedroogde rode peper)
  • Vriendelijke en behulpzame mensen
  • Ontbijt met ei, tomaat, komkommer en olijven
  • Veel archeologische vindplaatsen
  • Warm klimaat
  • Relatief goedkoop fruit en noten
  • Katoenen kleding met kamfergeur
  • Snelle bediening in restaurantjes
  • Veel hongerige katjes
  • Slippers in hotels
Oct 102012
 

Een comfortabele ‘dolmuş’ reed ons in bijna anderhalf uur naar het handelsstadje Söke, dat niet in de reisgids wordt beschreven. Het laatste deel van de rit ging langs uitgestrekte katoenvelden, waar de oogst in volle gang was. Langs de weg lagen overal dotten katoen.

Na een prima ‘pide’ (verse Turkse pizza) gingen we op zoek naar onderdak. Hoewel er in twee hotels veel sleutels hingen, waren ze ‘vol’. We werden steevast doorgestuurd naar een ongezellig hotel bij de ‘otogar’ (busstation). We voelden ons niet erg welkom, dus reisden we met een ‘dolmuş’ door naar Kuşadasi. Bij particulieren kun je hier goedkoop slapen, maar we kozen voor het ogenschijnlijk schone Hotel Sezgin.

Het was leuk om naar de grote cruiseschepen te kijken, die voor een dagdeel aanmeren en duizenden mensen aan wal laten, die gelijk worden gevangen in de grootste toeristenval, die we tot nog toe hebben gezien. Niettemin is de uitgang van deze val dichtbij: voor de meeste verwende toeristen een reeks onneembare trappen naar boven. Een toeristenval is een plaats waar toeristen veel te hoge prijzen betalen voor vaak niet-authentieke goederen.

Het valt ons op dat er op dit moment veel gebouwd wordt. Zowel huizen als aan wegen. We hebben gehoord dat het meeste op krediet is. Duurzaam zal het niet zijn, want Turkije produceert niet veel, behalve misschien toerisme. De Turkse lira is een munt waarin sommige mensen zijn gevlucht, die niet meer op de euro of dollar vertrouwen.

Het Turks wordt sinds Atatürk geschreven in het Latijnse schrift. Met dit overzicht kun je de meeste Turkse woorden correct uitspreken:

ı = uh (doffe i)
i = ie
ö = eu
u = oe
ü = u
j = zj
ş = sj
c = dj
ç = tj
g = harde g
ğ = verlengt voorgaande klinker
v = w
Oct 092012
 

Weer met een bus (er zijn geen treinen in het zuiden) reisden we in ca. 2,5 uur naar Yatağan, waar we na een poosje wachten overstapten op een ‘dolmuş’ richting Bodrum. Helaas werden we ver van het centrum van Milas aan de weg afgezet. We liepen daarom naar het centrum en daardoor kwamen we langs een Turkse bruiloft, waar we werden uitgenodigd om mee te eten. Er waren diverse ‘mezzes’ op plastic bordjes en vlees (o.a. kip), wat we beleefd weigerden. Ook was er zoete ‘halva’ (gemaakt van sesam, suiker en honing). Mensen met rode zakdoeken om hun hals of om hun arm zorgden ervoor dat niemand wat te kort kwam. We gaven de bruidegom, strak in het pak, een hand en wensten hem veel geluk. Er was harde Turkse live-muziek (trommels en een soort houten klarinet). Enkele mensen dansten op een voor ons vreemde melodie. Veel mensen waren behoorlijk beschonken van het vele bier en de flessen raki. Een erg dronken man kwam afscheid van ons nemen. We schudden wel vijf keer handen, waarschijnlijk was hij de eerste vier keer alweer vergeten …

We overnachtten in het goedkope, maar goede ‘otel’ Yazar. Er is een prima ontbijtbuffet, hoewel de variatie van dit soort ontbijten te wensen overlaat. Er is altijd ei (net zo slecht voor je hart als roken!), wit (stok)brood, tomaat, komkommer, groene en/of zwarte olijven, soms kaas (niet altijd lekker) en jam van vaak matige kwaliteit, die we toch nooit eten. Een enkele keer eet ik honing. Het lieflijke stadje wordt duidelijk nauwelijks bezocht door toeristen, dus hier geen gepluk en gewoon normale prijzen. Milas is één van de leukste stadjes waar we geweest zijn (en slechts zo’n twee uur van Izmir waar we zijn gestart).

De volgende dag bezochten we de Carische ruïnes van Euromos. Ze liggen aan de weg naar Söke en zijn dus gemakkelijk bereikbaar met een ‘dolmuş’ (ca. 10 km van de ‘otogar’). De lang geleden geplunderde ‘necropolis’ ligt tussen olijfbomen. Niettemin graven mensen nog steeds illegaal gaten op zoek naar waardevolle dingen (zouden ze wat met een metaaldetector gevonden hebben?). Wat hogerop is er een Zeus-tempel, waarvan de immense Korinthische zuilen nog steeds overeind staan. Moeilijker te vinden was het theater, dat duidelijk weinig wordt bezocht (de reisgids rept er met geen woord over). Gelukkig stond de juiste plaats aangegeven op Open Street Maps. Op de commerciële Garmin Navteq-kaarten staat Euromos twee kilometer te ver zonder details aangegeven.

Aan het einde van de middag slenterden we door de bazaar. We dronken thee in de sfeervolle 18de eeuwse karavanserai Çöllühanı. Het ziet er vervallen uit, dus ik vraag mij af of er nog wel eens mensen slapen. Om kwart over vier galmde de oproep van de naastgelegen laat-Ottomaanse Belen ‘camii’ (moskee) door de binnenplaats.

In het verlengde van de straat van ons hotel is hogerop in een parkje een mooie Romeinse graftombe met de naam Gümüşkesen (zilversnijder). We liepen terug naar beneden door steegjes waar we veel foto’s namen, o.a. van diverse deuren. Beneden was er een grote groentenmarkt, waar we heerlijke zoete witte en blauwe druiven kochten. Groenten en fruit zijn hier heel goedkoop, ongeveer 1/10 van de Nederlandse prijs.

Ook in deze stad is er weer een stadsomroep, letterlijk dan. In de hele stad hangen megafoons. We hebben gehoord dat er officiële mededelingen worden gedaan, zoals geboortes en sterfgevallen.

Het draadloze internet is hier snel genoeg om met wat geduld mijn favoriete series, o.a. Doctor Who, te downloaden (ik doe dat dan wel via een privé OpenVPN-netwerk om problemen te voorkomen). Het is beter om deze op het kleine schermpje van mijn smartphone te kijken, dan te kijken naar de altijd nagesynchroniseerde Turkse televisie, met vaak gedateerde films.

Oct 072012
 

Met een bus reisden we vanaf de in de stad gelegen ‘do-garaji’ (‘dolmuş’-garage) naar Antalya, waar we na een pittige ‘menemen’ (roerei, groenten en brood) op de ‘otogar’ (busstation) onze weg met een mini-bus (halve bus) naar Fethiye vervolgden. We liepen de drie kilometer naar de wijk Karagözler, waar we verbleven in het vriendelijke ‘pansiyon’ Tan. Op het dakterras genoten we met wat nootjes en een drankje van een fantastisch uitzicht op de haven van Fethiye. Vanuit het centrum zagen we de Lycische rotstombe van Amyntas. Vlakbij het ‘pansiyon’ is een klein, vervallen Romeins theater.

De volgende dag wandelden we de acht kilometer naar Kaya Köyü. Eerst bovenlangs het Romeinse theater en langs het ridderkasteel en dan verder omhoog door de bergen om vervolgens weer af te dalen naar een vallei, met ondere andere het dorpje Kaya. Het rood/wit gemarkeerde pad was soms moeilijk te volgen en de wegwijzers klopten niet allemaal, zeker niet de aangegeven afstanden. Kaya Köyü is een verlaten spookstad. Dit komt door een gedwongen bevolkingsuitwisseling in 1923 na de Grieks-Turkse oorlog van 1919-1922. Er zijn ongeveer 600 vervallen huizen.

We gingen terug naar Fethiye met een ‘dolmuş’, waar we in het centrum een verse ‘pide’ aten. In de ‘dolmuş’ passeerden we Ölüdeniz, een verschrikkelijk toeristisch stadje, waar we nooit zouden willen verblijven.

Het landschap in het zuidwesten van Turkije is bergachtig, meestal begroeid met heerlijk geurende dennenbomen. Veel afwisseling is er helaas niet, maar wellicht is dat te wijten aan het jaargetijde.

Op dit moment zijn er schermutselingen tussen Syrië en Turkije in het zuidoosten. Gelukkig zijn we daar te ver vandaan om er last van te hebben. Om te reizen langs de zuidoostelijke grenzen heb je als toerist om evidente redenen sowieso speciale toestemming nodig. Turkije grenst direct aan Syrië, Irak, Iran, Armenië, Georgië, Bulgarije en Griekenland.

Voor degenen die zich afvragen hoe wij onze bestemmingen kiezen: we proberen de meest toeristische plaatsen te vermijden, tenzij er een heel interessante bezienswaardigheid is, zoals bijvoorbeeld Efes of Pamukkale. Het reizen proberen we te beperken tot enkele uren per dag en in sommige plaatsjes slapen we om praktische redenen twee nachten. We volgen grofweg een route met de klok mee, maar verder is er geen enkele logica. Hanneke kiest soms een plaats op basis van een mooi klinkende naam.

Oct 062012
 

Met een dolmuş (personenbusje) reisden we in ruim een half uur naar Seydişehir, waar we overstapten op een bus naar Manavgat (ca. 2 uur). We daalden door een rotsachtig landschap met naaldbomen over een weg met veel bochten af richting de Middellandse Zee. We liepen van het busstation naar het centrum van de stad (ca. 3 km). Onderweg kochten we iets te drinken en amandelen in een koele supermarkt. De temperatuur is hier ongeveer hetzelfde als landinwaarts (ca. 30 graden), maar de luchtvochtigheid is hier veel hoger. Er zijn niet veel hotels in Manavgat, want de meeste toeristen bezoeken deze stad vanuit één van de vele resorts in de omgeving. We vonden ‘otel’ Mercan waar we op de derde verdieping een prachtig uitzicht op de rivier hadden.

We liepen nog wat rond en kochten water in een supermarktje. Daar raakten we aan de praat met de eigenaar, Mustafa, en een in Turkije wonende Duitser, Jörg. We kregen uiteraard thee, dat is hier de ‘sociale lijm’. Mustafa stelde voor dat Jörg met ons de volgende dag naar Seleukeia (Lyrbe) zou gaan.

Na het ontbijt ontmoetten we Jörg, die meestal met zijn mountainbike de omgeving verkent, bij dezelfde supermarkt. Met een ‘dolmuş’ gingen we in een klein half uur naar de resten van een Romeins aquaduct, vlakbij het stadje Seleukeia. Op ons gemak gingen we te voet naar de ruïnes bovenop de grote heuvel, het laatste stuk door een dennenbos. Een paar jaar geleden was hier overal dennenbos, maar een grote bosbrand heeft alle bomen verslonden. Over de ruïnes is niet veel bekend. Ze zijn van rond het begin van onze jaartelling. Ik zag op mijn smartphone dat we vlakbij een geocache waren. Na enige speuren vonden we hem op een mooie plek. Jörg was verbaasd over het bestaan van geocaches en maakte een paar foto’s, omdat hij bang was dat zijn (Turkse) vrienden hem niet zouden geloven.

Van benedenaf zijn ook iets meer afgelegen ruïnes te zien. Jörg bracht ons daar over een weinig gebruikt pad. Hier komen geen toeristen en zeker niet de waggelende soort uit een toerbus. We aten daar een meegebrachte lunch in de schaduw van de ruïnes en genoten van het uitzicht. Jörg had zelfs een thermoskan met thee meegebracht. Er was een aangename, verkoelende wind. Nadat we een stukje terug waren gelopen, volgden we een ander herderspad naar een unieke overhangende rots. Het water druipt daar waarschijnlijk al millenia naar beneden, gezien de kleine stalagtieten en de resten daarvan op de grond. De herders brengen de geiten daar, waarschijnlijk om ze te laten drinken. Het is duidelijk zichtbaar aan de vele keutels, die inmiddels een laag hebben gevormd. Op dit soort plekken is de natuur op zijn best. Daarna gingen we hetzelfde pad weer terug en daalden via een ander pad weer af naar het aquaduct. Na even gezeten te hebben bij een verfrissende bron, waar we onze waterflessen weer vulden, gingen we naar de weg, waar we even moesten wachten op een ‘dolmuş’ terug naar Manavgat.

We dronken thee bij onze nieuwe Facebook-vriend Mustafa en sloten de dag af met een eenvoudige maaltijd in het restaurant van de broer van Mustafa, even verderop.

Oct 052012
 

Toen we met de bus aankwamen in Beyşehir (ca. 2,5 uur van Konya) regende en waaide het. Later hoorden we dat het de eerste regen eerst sinds mei was. We mochten even schuilen in het kantoortje van het benzinestation, ongeveer twee kilometer van de stad. Daarna liepen we naar de rand van het meer en de stad en over een door Duitsers gebouwde dam. De onheilspellende onweerslucht, het blauw-groene meer en de hoge bergen in de verte vormden een fotogeniek tafereel. We kozen voor de ruime kamer van ‘otel’ Haceliler in het centrum van de stad, omdat het ‘pansiyon’ aan het meer ons niet beviel. ‘s Ochtends hadden we lauw water, wat ongetwijfeld te wijten was aan het bewolkte weer (het warme water wordt vaak verzorgd door zonneboilers).

Aan het einde van de dag bezochten we de kleurrijke groentenmarkt, waar de waren meestal op een zeil op de grond onder een parasol waren uitgestald. We gingen van parasol naar parasol, omdat het nog wat regende en namen hopelijk mooie foto’s. Een paar straten dichterbij aten we bij een ‘lokanta’ (bepaald soort restaurant) heerlijke kikkererwten en witte bonen met saus en met verrukkelijk vers Turks brood.

De volgende dag bezochten we de door de UNESCO beschermde Eşrefoğlu Camii, een moskee gebouwd door Seyfeddin Süleman tussen 1297 en 1299. Het is een bijzonder Seldjoeks (pre-Ottomaans) gebouw met 42 cederhouten pilaren, die de 480 balken die het platte dak dragen, ondersteunen. De verhoging voor het vrijdaggebed is gemaakt van walnoothout. De ‘mihrab’, welke de richting naar Mekka aangeeft, is van karakteristiek, turkoois keramiek. Bovenin zijn 35 vensters die een zacht licht naar binnen laten. Vroeger zat in het dak een gat (nu zijn er ramen) waar sneeuw doorheen viel. De sneeuw werd opgevangen in een grote, vierkante put onder het gat. Blijkbaar was dit nodig voor voldoende vochtigheid in de zomer om het hout goed te houden.

Langs het meer liepen we terug naar het centrum, waar we een uitgebreide lunch aten.

Oct 032012
 

Konya is een grote pelgrimsstad, ongeveer drie uur met de bus vanaf Afyon. Onderweg was er even een hevige regenbui. We hebben voor het eerst bewolking, wat de temperatuur wat aangenamer maakt (ca. 25 graden).

In Konya werd het Soefisme gesticht door Celaleddin Rumi, ofwel Mevlâna (“onze meester”), ook bekend als de sekte van de dansende derwisjen. Ook hier is de ‘otogar’ (busstation) weer ver van het centrum van de stad (15 km), maar wel heel gemakkelijk bereikbaar met de tram.

Aan het einde van de dag bezochten we het Alâddin Parki op een grote heuvel middenin de stad, waar de tram omheen rijdt. Bovenop is een oude Seldjoekse moskee.

Na een goede nachtrust in het heel schone ‘otel’ Ulusan kochten we ‘börek peynirli’ (bladerdeeg met kaas), dat we opaten bij een traditioneel theehuis even verderop. Het water van de thee wordt nog met behulp van een houtvuurtje opgewarmd. Omliggende restaurants kunnen met een intercom thee bestellen. De vriendelijke eigenaar wilde graag dat we foto’s maakten en uiteindelijk kregen we de thee gratis. Hier is nog niet het harde kapitalisme dat zich in Westerse landen heeft verspreid. Als we al teveel moeten betalen, is dat altijd een bescheiden hoeveelheid.

We verlieten onze hotelkamer, maar lieten onze rugzakjes achter in de opslagplaats van het hotel, zoals we wel vaker doen. Daarna bezochten we het Mevlâna-museum. Het terrein en de gebouwen zijn goed onderhouden. In de nissen op de binnenplaats zijn diverse voorwerpen tentoongesteld, zoals kleding, (les)boeken en andere religieuze curiosa. Binnen is het mausoleum van Mevlâna. Naast de toeristen die met een toerbus komen, zijn er ook gelovigen, die soms emotioneel staan te bidden bij het graf van ‘de meester’. De sfeer was heel open.

De poging van Atatürk om Turkije meer Westers georiënteerd te maken, is aardig gelukt. Voor mijn gevoel ligt het westen van Turkije zo ongeveer half tussen de westerse en oosterse wereld in. Turkije is een vrij liberaal land, waar vrouwen in de steden zonder hoofddoek en met blote armen zich zonder problemen in het openbaar kunnen bewegen. Evengoed zijn er ook vrouwen die zich veel traditioneler met een hoofddoek en jurk kleden. Hoewel daar geen conclusie uit getrokken kan worden, zijn er zelfs tijdens de gebedstijd weinig mensen in de vele, prominent aanwezige moskees, die vijfmaal per dag hun oproep laten horen (die een uur voor zonsopgang maakt ons vaak wakker, vooral als de moskee erg dicht bij het hotel blijkt te zijn).

Oct 012012
 

Wederom een comfortabele bus met purser bracht ons in ca. twee uur naar Afyonkarahisar (kortweg Afyon). Lastig was dat we vijf kilometer buiten de stad op een afgelegen busstation werden afgezet. Gelukkig was er een stadsbus die ons voor een ‘lira’ in zo’n 20 minuten naar het ‘merkez’ (centrum) bracht.

Na een late lunch gingen we na enige omzwervingen terug naar het goedkope, maar redelijk hotel Lale. Er zijn niet veel andere hotels in deze weinig bezochte stad. De meesten waren ‘vol’. Ook al kies je niet voor een hotel, de mensen blijven hier altijd vriendelijk. We liepen door de kleine straatjes en de bazaar van de oude stad, waar we af en toe een mooi zicht hadden op het ‘kale’ (fort) op de enorme, steile rots die de stad domineert. Behalve de kinderen die ‘money, money, money’ roepen, is het rustige, oude deel met zijn vele authentieke huisjes zeker de moeite waard.

De volgende dag verhuisden we naar het veel betere ‘otel’ Soydan een stukje verderop. De kamer is niet heel groot, maar wel van alle gemakken voorzien, tot en met wegwerpslippers. Vanuit het raam van de kamer of vanaf het balkon kunnen we de rots met bovenop het fort goed zien. De trotse, behulpzame eigenaar van het hotel heeft zijn geld verdiend in Duitsland en daarna het hotel laten bouwen naar zijn eigen smaak.

‘s Middags, na de ergste warmte, beklom ik de grote rots, eerst door steile straatjes en daarna over ongelijke trappen (700 treden). Onderweg kom je langs boompjes waarin slierten plastic zijn geknoopt door mensen die een wens hebben. Vanaf de rots (220 meter), waar een grote Turkse vlag staat, kun je de hele stad zien, inclusief ‘ons’ hotel.

Sep 292012
 

Na een gezellig ontbijt met Jim en Karl, bezochten we het museum in Burdur. Daar zijn allerlei interessante voorwerpen verzameld van een aantal belangrijke archeologische vindplaatsen in de omgeving, waaronder Sagalassos. Het leukst vond ik een aantal kleine beeldjes, waaronder een donker, miniatuurbeeldje van een krijger met een helmpje.

Na het bezoek aan het museum namen we afscheid van Jim en Karl. We zullen ze missen. Ik hoop dat ze verder een mooie reis hebben!

Na een lunch met ‘pide’ (Turkse pizza) zochten we een hotel. Het werd het uitstekende, goed gelegen ‘otel’ Özeren, waar we in een mooie, ruime kamer, voorzien van alle gemakken, op de vijfde verdieping sliepen. Het was heel betaalbaar en een uitstekend ontbijt was inbegrepen. Het gebruikelijke Turkse ontbijt is wit brood, ei, kaas, zwarte olijven, tomaat, komkommer en jam en/of honing, uiteraard met çay (Turkse thee).

In het algemeen is Turkije een ontwikkeld land, met bijbehorende prijzen, hoewel die nog een stuk lager liggen dan in Europa. De kwaliteit van de hotels, het eten en het vervoer is prima. De mensen zijn vriendelijk en behulpzaam.

Opmerkelijk zijn de hervormingen die Atatürk (“vader van de Turken”) in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw heeft doorgevoerd. Invoering van de Gregoriaanse kalender, een op het Europese gelijkend rechtssysteem, inclusief (stem)rechten voor vrouwen, het Latijnse schrift, een geheel nieuwe taal, achternamen, etc. Dit maakt Turkije voor een groot deel wat het nu is. Niettemin was Atatürk een hardhandige dictator en het probleem met de miljoenen Koerden is nog steeds niet opgelost.

Sep 282012
 

Tijdens het ontbijt raakten we aan de praat met twee Amerikanen, Karl en Jim. Het zijn aardige, ontwikkelde mensen, nog erg kwiek en avontuurlijk voor hun leeftijd (rond de 70). Ze boden ons een lift aan naar het stadje aan de rand van het meer (ca. 15 min lopen). Ik vroeg of we verder mee konden rijden en dat was geen enkel probleem. Ik denk dat ze wel blij waren met wat gezelschap en ook met mijn GPS die ook in Turkije gemakkelijk de weg vindt. We kochten snel wat brood en fruit voor een picknick en reden naar Sagalassos (ca. een uur). Eerst kwamen we in het stadje, waar we onderdak probeerden te regelen, maar we vonden helaas niets geschikts. We vervolgden de weg naar de gelijknamige archeologische vindplaats een stuk hogerop, waar nauwelijks toeristen komen. We aten eerst onze lunch op een picknick-bank.

De gehele middag besteedden we aan het ontdekken van de tot de verbeelding sprekende Romeinse nederzetting van rond het begin van onze jaartelling. Een paar delen zijn lelijk gerestaureerd, maar veel is nog in zijn natuurlijke, vervallen staat. Vooral het Romeinse theater, waar een deel van de stenen banken schots en scheef door elkaar ligt, en de ingestorte, half begroeide tempel een stuk lager waren zeer de moeite waard, net zoals het uitzicht. Tussenin ligt een koele bron die nog steeds stroomt,  waarvan het water vroeger steeds naar lager gelegen delen werd geleid. Het deel bij het plein met aan de zijkant een Nymphaea (bronnenhuis) is, behalve de felle witte beelden, mooi gerestaureerd i.s.m. de Katholieke Universiteit van Leuven.

Karl en Jim waren moe en daarom aten we met zijn tweeën een geweldige Turkse maaltijd bij een restaurant een stukje verderop. We konden kiezen uit diverse overheerlijke ‘mezes’ (hapjes), die als voorbeeld werden getoond op een heel groot dienblad met schoteltjes. Dat is nog eens een echte menukaart!

We sliepen heerlijk in het redelijk comfortabele Çendik motel aan de weg tussen Burdur en Antalya met een fraai uitzicht op het Burdur Gölü (meer).

Sep 272012
 

Aan het begin van de avond kwamen we met de bus in Eğirdir aan, waar we eerst wat aten. Daarna slenderden we over de pier naar het schiereilandje Yeşilada, of zoals Satyamo, die ons via Latitude volgt het noemde, “een schattig net-niet-eilandje”. Het schiereilandje ligt in een heel groot, natuurlijk meer. Het meer is prachtig blauw en het water is helder. Rondom het meer zijn bergen. We overnachtten midden op het schiereilandje bij een heel vriendelijk echtpaar in Şehsuvar Peace Pension. We sliepen in de woonkamer, omdat alle vier kamers bezet waren. De tweede nacht hadden we een prettige kamer, waar zelfs een bank niet ontbrak.

Na een lekker ontbijt verkenden we het stadje, terwijl we op weg naar het stadje aan wal alvast uitkeken naar de meest geschikte plaats om later in de middag te zwemmen. Hier en daar zijn vaak vervallen houten huisjes, die bekleed zijn met inmiddels donker geroeste metalen platen.Vandaag was er een groentemarktje, waar we pruimen en een paar peren kochten. We klommen omhoog via een paar steile straten en lange trappen om van het weidse uitzicht te genieten. Na de lunch, zoals altijd afgesloten met een heerlijke Turkse thee, liepen we terug over de pier om onze zwemkleding te halen. Daarna liepen we naar ons privé-strandje (met kiezelstenen, dus geen zand tussen je tenen), waar we een poosje in het koele water zwommen en van de zon genoten. Kleine visjes zwommen om ons heen. Het was een heerlijke, ontspannen dag!

Sep 262012
 

Vanuit Selçuk reisden we met de trein verder naar het westelijk gelegen Denizli (ca. vier uur; ruim 150 km). Tijdens de eerste helft van de reis was het druk in de trein (tot Nazille). Gelukkig hadden we de meeste tijd een zitplaats en was er airconditioning. We reisden met een volle ‘dolmuş’ (busje) door naar Pamukkale (ca. 20 min; Pamukkale betekent “katoenkasteel”).

‘s Ochtends bezochten we nog het Efes-museum in Selçuk. Het leukst vond ik de afdeling met Eros-afbeeldingen. Ook liepen we nog over de heuvel ‘Ayasoluk’, langs de Basiliek van Johannes, waar wellicht het graf van deze evangelist is. We kwamen langs de resten van een ooit grandioos aquaduct. Bij het treinstation staat ook een aantal mooi gerestaureerde bogen.

We slapen in Aspawa pansiyon in een mooie, ruime en koele kamer. We aten in het centrum ‘menemen’ (roerei met paprika, ‘dolmate’ en ui) met stukken vers brood. Daarna liepen we in de schemer rond het meertje aan de voet van de enorme, 60 miljoen jaar oude, sfeervol verlichte kalkterrassen (eigenlijk marmerafzettingen). We raakten aan de praat met een Turkse man, omdat we moesten lachen om de regels van het zwembad, zoals ‘ga niet zwemmen als je niet kunt zwemmen’. Helaas zijn deze regels serieus bedoeld. De man was erg bezorgd over de toekomst van de kalkterrassen, omdat het water niet meer zoals vroeger stroomt.

De volgende ochtend stonden we na een prima nachtrust vroeg op. Na het ontbijt met ‘everything’ (brood, gebakken ei, hazelnootpasta, fruit, thee) beklommen we op blote voeten de natte, ribbelige kalkterrassen. Een heel bijzondere ervaring! Soms was het stromende water warm, maar vaker was het koud. Bovenop is het uitzicht op de witte kalkterrassen geweldig! Deze plaats is uniek in de wereld en staat daarom op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.

De meeste toeristen zijn lui en komen boven aan met de bus en missen daardoor de hele ervaring. We keken even rond bij de spa’s. Grappig waren de kleine, hongerige visjes waar je met je voeten tussen kunt zitten om ze schoon te laten eten. Ik heb even mijn wijsvinger laten reinigen, een grappig, vibrerend gevoel.

Bovenop is er ook nog een oude, sfeervolle Romeinse stad, Hierapolis. We bezochten eerst de tempel van Apollo en het Plutonium erachter (3e eeuw in onze jaartelling). Helaas is de grot van Plutonium, waar vroeger giftige gassen vrijkwamen, nergens meer te zien. Op ons gemak liepen we naar het andere eind van de stad, steeds met uitzicht op de prachtige kalkterrassen. Er is een Romeinse zuilenstraat, met aan het eind monumentale triomfpoorten (jaar 84). Daarna volgt het Necropolis met meer dan 1000 graven!

Jammer genoeg moesten we weer dezelfde weg naar beneden, waar we onze spullen ophaalden. De ‘dolmuş’ naar Denizli kwam al heel snel. Op de ‘otogar’ (busstation) aten we als lunch ‘çorba mercimek’ (linzensoep) met brood om daarna op de bus naar Eğirdir te wachten (ruim 150 km, ca. 4 uur). Hoewel ik mij daar niet geheel gemakkelijk bij voelde,  regelde één van de stationschefs probleemloos onze tickets met het geld dat ik hem had gegeven. De bus was luxe: ruime stoelen, persoonlijke tv, kleine hapjes en drankjes en zelfs Wi-Fi.

Sep 162012
 

Einde van de week gaan we drie weken het westen van Turkije verkennen. Als het goed is, is het nog prima weer in dit deel van de wereld. We vliegen naar de vijfduizend jaar oude, tweede grootste stad van Turkije, Izmir (ca. 2,5 miljoen inwoners). Waar we slapen en heen gaan, zien we wel, maar een bezoek aan Ephesus ligt voor de hand.

Amsterdam Izmir 21/9 14:05-18:35 PC298
Izmir Amsterdam 12/10 10:30-13:15 PC297

Pegasus Airlines

Feb 192012
 

Eindelijk heb ik de foto’s van onze reis door Noord-Peru uitgezocht!

Het is altijd een heel werk om een beperkte selectie te maken. Het is wel leuk om na een tijdje de foto’s weer terug te zien en herinneringen op te halen. Het doet verlangen naar een volgende reis …

Foto’s

Onze reisroute

Oct 232011
 

We volgden sendero (pad) María Josefa (ca. 2,7 km) naar het eerste van de twee Lagunas (meren) Llanganuco, genaamd Laguna Chinancocha (3850 m), onderdeel van Huascarán National Park. Het was een hele inspanning om de 330 meter langs de vele watervalletjes omhoog te komen, enerzijds door de ijle lucht, maar ook doordat ik verkouden was. Het is een bijzonder mooi, rotsachtig pad in een spectaculaire omgeving. Het vochtige klimaat zorgt voor een aparte natuur met veel epifyten en mossen op gedrongen boompjes, sommige bloeiend, waar veel prachtig gekleurde vogels leven. De stammen van sommige boompjes laten hun bast in vele laagjes los en zijn bijna oranje gekleurd. Om je heen zijn donkere, steile bergwanden, waar wolken bij hangen.

Aan het eind van het pad is het prachtige blauwe meer, dat als één van de mooiste van de wereld wordt beschouwd. Letterlijk en figuurlijk adembenemend! We deden een kort, maar leuk tochtje met één van de groene roeibootjes.

We waren vroeg opgestaan om met een combi mee te gaan (ca. 25 km, één uur). De combi zette ons af bij het lage eind van het pad, maar het was makkelijker geweest om het pad vanaf het meer naar beneden te lopen.

Omdat het boven koud en ijl was, liepen we een stuk van de weg naar beneden. We konden van bovenaf de omgeving van sendero María Josefa zien. De wolken dicht boven ons lieten wat druppels vallen, maar dat werd minder naarmate we lager kwamen. We hadden geluk, een luxe pickup met twee aardige ingenieurs stopte voor ons en we konden helemaal naar Huaraz meerijden! Dat scheelde veel gedoe en tijd.

Oct 222011
 

Yungay (2500 m) is leuk plaatsje, slechts 20 minuten reizen met een combi vanaf Caraz. Boven de Plaza de Armas (centrale plein) staat een vrij grote kerk, die ongebruikelijk rond is en een mooi houten dak heeft. Aan de binnenkant is het aangenaam ruim. Het hout van het dak is aan de binnenkant mooi ingelegd. Achter het altaar staat “Yo soy el pan de vida” (IK ben het brood van het leven).

We slapen op de bovenste verdieping van de heel goedkope, maar goede hostal Sol de Oro (Zon van Goud). Het water in het dorp is op rantsoen, dus we konden niet onder de douche. Het warme water was te heet om onder te staan.

In de straat van onze hostel was een kleine kermis. Heel apart is het spel “tira plata” (geld gooien). Met muntjes van 10 céntimos (ca. 3 eurocent) gooi je van een afstandje op een grote tafel, die in kleine, gekleurde vakjes is verdeeld met cijfers van 10 tot 100. Je krijgt zoveel céntimos als de cijfers aangeven van het vakje waarop je muntje blijft liggen. Het verraderlijke zijn de ogenschijnlijk kleine, witte randen om de vakjes. Valt je muntje hier voor een deel op of van de tafel, dan krijg je niets. Voor de lol hebben we met vijf muntjes meegespeeld. Na een grote winst aan het begin, verloren we uiteindelijk al onze muntjes (ca. 15 eurocent).

De volgende dag liepen we naar Yungay Viejo (Oude Yungay; 1,5 km), een plek die ik al eens eerder bezocht. De officiële naam is Camposanto. Het is een begraafplaats en een monument voor een grote ramp, die in 1970 plaatsvond. Een aardbeving zorgde ervoor dat er een stuk van de gletsjer van de enorme berg Huascarán (6768 m) afbrak. Het stadje,  ruim 4250 meter lager, werd voor een groot deel bedolven. 20.000 mensen lieten het leven.

De begraafplaats is een grote, ronde heuvel, die uit vier lagen bestaat. In de wanden van elke laag liggen rondom mensen begraven in kleine, genummerde kamertjes. De rijkere of belangrijkere mensen liggen begraven op de plateau’s van één van de lagen. Bovenop is er een groot, wit beeld van Jezus met enigszins vrouwelijke trekjes.

Beneden is het bedolven dorp, waarop een mooi, goed onderhouden park met veel bloemen in de vorm van een kruis is aangelegd. Je loopt dus letterlijk over de bedolven huizen. De resten van de kathedraal liggen aan het eind aan de oppervlakje, net zoals de resten van een totaal verwrongen bus. Helemaal aan het eind staat nog een kerkje die op veel foto’s van Huascarán staat (o.a. op die van wikipedia, maar ik vind mijn foto uit 2005 mooier). Helaas konden we Huascarán niet zien, vanwege de dichte bewolking. ‘s-Middags ging het dan ook een poosje hard regenen.

Op de alternatieve terugweg spraken we een wat oudere, meer welgestelde man (Pepe). Hij liet een huis/winkel bouwen voor zijn kinderen nabij het monument. Hij vertelde ons o.a. dat een stenen huis 10% meer kost dan een adobe huis. Een klein prijsverschil voor de veel grotere veiligheid in het geval van een aardbeving. Zijn vader was Spaans, wat ongetwijfeld een verklaring is voor zijn grotere rijkdom en bredere visie.

De Russen hebben na de ramp houten huizen met zinken daken gebouwd. Op de terugweg zagen we er enkele staan. Ze zijn nog in vrij goede staat.

Caraz

 2011 Noord-Peru, Reizen  Comments Off
Oct 202011
 

We bezochten de 3800-4000 jaar oude ruïnes met de welluidende naam Tumshukayko, slechts één kilometer van de Plaza de Armas (plein en centrum van de stad) van Caraz (2290 m). De ruïnes van de Huaraz cultuur liggen op een prachtige plaats. Rondom zijn er grote bergen en de twee pieken van de hoogste berg van het continent, Huascarán (6768 m) zijn duidelijk zichtbaar. Beneden stroomt een grote rivier (Rio Santa, heilige rivier) door een mooi groen dal. Overal liggen stenen en hier en daar staan nog gedeelten van muren overeind. Het dak dat de belangrijkste muur moet beschermen tegen het weer is dringend aan onderhoud toe.

Eigenlijk wilden we Cañon del Pato bezoeken, maar er was geen transport, omdat het een katholieke feestdag was. Señor de los Milagros (de Heer van de Wonderen) wordt twee dagen gevierd. Een groepje kinderen was bezig om een groot kruis op straat te maken met zwarte en paarse drab, die rook naar asfalt. Het zwarte kruis werd gevuld met bloemblaadjes, die een ander groepje kinderen ijverig aan het plukken was. Verder was er een kleine processie met erg valse muziek. Een klein groepje mannen bracht al wiegend een afbeelding van Señor de los Milagros naar de bank en daarna naar een kloostertje, schuin aan de overkant van ons hostal La Casona.

De volgende dag gingen we met een bus (Yungay expres) naar Huallanca (ca. 1450 m), met als enige reden om door de spectaculaire Cañon del Pato te reizen. Er zijn 35 smalle, ruw uitgehakte tunnels waar de bus maar net in past. De stoffige weg is op sommige plaatsen bijna net zo breed als de bus en als je je hoofd uit het raam steekt, kijk je vaak honderden meters recht naar beneden, waar een grote rivier stroomt. Op diverse plaatsen wordt elektriciteit opgewekt. Het personeel dat de installaties aanlegt en onderhoudt, woont in een eigen stadje, net voor Huallanca. Het dorpje zelf is niet zo interessant, dus we namen de tweede bus die langskwam terug (de eerste bus was vol). Omdat er nu veel tegenliggers waren, moest de bus af en toe een stukje achteruit rijden om een andere bus of vrachtwagen te laten passeren. Je hoopt dan maar dat hij niet het ravijn inrijdt … Deze veel langere weg, wellicht één van de meest spectaculaire van Peru, komt uit in het vriendelijke Santa waar we eerder waren (8 uur).

Oct 182011
 

Het was een hele reis van het vriendelijke dorpje Santa, via de altijd sterk naar vis geurende, onveilige stad Chimbote (combi, 30 min) en via Pativilca (bus, 3 uur) naar het hooggelegen Huaraz (colectivo, 3 uur). Dit is de lange, maar makkelijke weg naar Huaraz, die de meeste bussen volgen. Vanuit Santa is het ook mogelijk een avontuurlijke weg te volgen, als je daar de tijd voor hebt (met de bus acht uur).

Een stuk voorbij Pativilca (zeenivo) gaat de weg omhoog naar een altiplano (hoogvlakte) van ruim 4000 meter. Het hoogste punt is 4120 meter en daar waren we binnen anderhalf uur. Deze reis kun je beter niet doen, als je nog niet aan de hoogte gewend bent. Hoewel Cuzco op ca. 3310 meter naar mijn ervaring zonder acclimatisering goed haalbaar is, zal dit niet voor iedereen gelden (soroche, hoogteziekte is gevaarlijk).

De bijna lege altiplano is heel mooi. Er zijn veraf en dichtbij met sneeuw en ijs bedekte bergtoppen. We hadden het geluk dat de zon onderging en dat er lichte bewolking was, waar de ondergaande zon op scheen. Dit gaf een bijzonder effect, het hele landschap kleurde oranje mee.

De eerste nacht sliepen we in hotel Las Vegas II, wat achteraf niet zo’n goede keus was, omdat er een disco in de buurt is. De volgende dag gingen we dus op zoek naar een andere slaapplaats.

De belangrijkste eis was laagbouw, want in dit gebied moet je rekening houden met zware aardbevingen. In sommige gebouwen hangen groene bordjes met de tekst “zona segura en caso de sismo” (veilige zone in geval van beving), meestal waar de constructie sterker is. In het verleden zijn hier veel doden gevallen door aardbevingen. Complete stadjes zijn weggevaagd. Ik vrees voor de gevolgen van de volgende terremoto (aardbeving), want veel gebouwen lijken mij daar niet tegen bestand.

We vonden hostal Schatzi (Simon Bolivar 419), een oase van rust. Er is een binnenplaats met een mooie jardin (tuin), met rondom twee lagen kamers. We hebben een kamer op de eerste verdieping, bereikbaar via een rood, ijzeren wenteltrapje een een krakende houten balustrade. De vloer van onze kamer is van houten parket. Beneden hangen een paar vogelkooitjes met gezellig kwetterende parkietjes.

De eerste dag verkenden we op ons gemak de stad. Ik herkende plaatsen waar ik zes jaar geleden was. De stad is echter sterk gegroeid (nu 80.000 inwoners) en net zoals Trujillo veel drukker geworden (maar nog acceptabel). Op straat verkopen vrouwen met mooie hoeden groenten, fruit, kruiden, cake, kleding, etc. Vaak vullen ze de tijd met breien, borduren of haken. Er zijn ook oudere mensen bij, soms nog maar met een enkele tanden. De meeste straatverkopers zijn duidelijk heel arm. Als je zit te eten, komt er vaak iemand bedelen. Soms geven we wat geld of het brood dat over is.

De tweede dag bezochten we het nabijgelegen Willkawain (ca. 3400 meter), op de borden aangegeven als Willkahuain. We gingen omhoog met een combi die heel langzaam reed. Helaas was de archeologische vindplaats (700-1000 voor onze jaartelling) op maandag gesloten. We zijn er omheen gewandeld en we vonden veel sfeervolle, half begroeide ruïnes, die we anders waarschijnlijk niet hadden gezien. We liepen tussen de kenmerkende muren van het Huari volk. Overal rook het heerlijk naar de vele eucalyptus bomen die hier groeien. Aan het eind van ons rondje liepen we langs de cementerio (begraafplaats), waar twee groepjes mannen twee nieuwe graven aan het graven waren.

Via kleine paadjes en stoffige weggetjes daalden we langzaam af naar Huaraz (ca. 3 uur). Onderweg kwamen we verschillende mensen tegen, onder andere een vriendelijke, oudere vrouw, die met etenswaren op weg was naar de begraafplaats. Even later kwamen we een begrafenisstoet tegen. De kist werd door een aantal mannen omhoog gedragen, gevolgd door de rest van de mensen met een paar grote bloemstukken.

We zagen het leven op het platteland van nabij. De kleine landjes worden meestal nog op primitieve wijze met de hand bewerkt. Hier en daar staan een paar koeien of lopen een paar schapen met een herder. De huisjes zijn heel eenvoudig: adobe muren met golfplaten daken. Sommige mensen wonen in kleine hutjes, winddicht gemaakt met stukken oude plastic. Er is electriciteit en een riool, hoewel niet alle huizen daarop aangesloten zullen zijn. Het stromende water is een klein, helder riviertje.

We ontbeten op onze vaste plek, een jugueria (winkel gespecialiseerd in vruchtensap). Ik nam steeds combo 1: papas rellenadas (warme gevulde aardappel), broodjes, surtido (vruchtensap van banaan, aardbeien en papaya), koffie (heet water, waar je zelf koffie-extract uit een klein flesje bijschenkt). Dit alles voor minder dan een euro. In een pizzeria dronk ik voor het eerst Pisco Sour (brandy, limoensap, eiwit).

Oct 152011
 

Twee dagen niet reizen en even echt vakantie in Chiclayo. Je went verrassend snel aan de plaats waar je bent.

We sliepen in misschien wel het beste hotel tot nu toe, hotel Sicán (continentaal ontbijt inclusief). Het weer in Chiclayo is vrijwel ideaal, zonnig, 20 tot 25 graden en een lekker briesje van zee. Voor ons is er goed vegetarisch eten bij Govinda, waar ze zelfs queque integral (volkoren cake) hebben. Tussen de middag aten we het dagmenu bij een gezellig restaurantje waar we al eerder waren geweest. Ze herkenden ons na twee weken meteen.

We reisden langs de kust terug naar het zuiden. Eerst naar Trujillo, met Linea (4 uur). Na het middageten wilden we met dezelfde maatschappij verder naar Chimbote. Het computersysteem werkte niet, dus werden de boekingen voor alle mensen per telefoon afgehandeld, behalve die van ons. De bus van twee uur was ineens “vol”. We moesten wachten tot drie uur. We werden dus eigenlijk gewoon in de steek gelaten. Geen nood, busmaatschappijen zat. We vertrokken een half uur later met el Sol een stukje verderop.

De eindbestemming, Chimbote (2 uur), is onveilig voor toeristen. We moesten dus óf doorreizen naar Casma, óf iets avontuurlijkers verzinnen. We zijn uitgestapt bij het plaatsje Santa, even voor Chimbote, en dat was een goede gok. De mensen waren erg vriendelijk voor ons. We worden wel een beetje bekeken, vooral door de kinderen (niet storend), want hier komen duidelijk geen toeristen.

We slapen in hostal Aries, helder rood en geel van kleur (uiteraard). Het is de goedkoopste slaapplaats tot nu toe (5 euro). Het is eenvoudig, maar schoon. De kippen lopen op het dak, wat ‘s-ochtends vroeg dan weer een nadeel is …

Oct 132011
 

De zuidelijke route vanuit Tarapoto is gevaarlijk, zeker nu, na ongebruikelijk veel regenval. De overstromingen in die oostelijke regio waren een avond eerder op de Peruaanse televisie. We konden dus niet anders dan vanuit Pedro Ruiz terug naar het westen reizen.

Eerst reisden we met een colectivo naar Bagua Grande (ca. 65 km; 1,5 uur). Het kostte een uur langer, omdat we moesten wachten op een wegafsluiting. Een aantal bulldozers was bezig om de weg weer veilig en begaanbaar te maken na het instorten van een steile wand rechts van de weg. In Bagua Grande konden we gelijk verder met een andere colectivo naar Jaén (ca. 65 km; 1 uur). We vonden Jaén benauwd, stoffig en onrustig. Het belangrijkste stadsvervoer bestond uit honderden grommende mototaxi’s. Na het bekijken van een onwelriekend hotel, lieten we ons naar Movil Tours brengen, één van de betere busmaatschappijen in Peru. Eigenlijk met het idee om in de buurt te gaan slapen en de volgende dag door te reizen. We konden echter nog mee met de middagbus naar Chiclayo als we snel beslisten. Niets bindt ons, dus vijf minuten later waren we met onze kleine rugzakjes (32 en 35 liter) onderweg in een luxe bus met airco, wc, snacks, drankjes, kotszakjes en film (ca. zes uur). Vandaag dalen we zo’n 2000 meter af naar de kust van de Stille Oceaan.

Ik schrijf veel over het vervoer. Behalve tussen de grote steden is vervoer schaars. Zeker in kleine plaatsjes moeten we vaak wachten, soms uren. We zijn altijd weer blij als een paar vriendelijke mensen ons meenemen, in een propvolle auto, een kleine vrachtauto, achterop een pickup truck of op welke manier dan ook. Vervoer is dus een belangrijk onderdeel van onze reis. Ook wat betreft contact met de lokale bevolking. We hebben een hekel aan georganiseerde tours, omdat vaak veel te veel bezienswaardigheden in veel te weinig tijd worden bezocht, waardoor je eigenlijk de dingen maar oppervlakkig beleeft. Daarbij is het nu laagseizoen, waardoor er vaak te weinig mensen zijn om een tour door te laten gaan.

Na drie weken ervaar ik de bergen en de natuur van Peru nog steeds als groots. Een heel groot verschil met ons vlakke, overbevolkte Nederland. De gehele afgelopen week reisden we bijvoorbeeld stroomafwaarts lang de nu onstuimige rivier Rio Utcubamba. Er is hier nog zo ontzettend veel te zien en te ontdekken!

De meeste mensen zijn aardig en behulpzaam. Desondanks moeten we altijd behoedzaam zijn, bijvoorbeeld voor het “vergeten” van het teruggeven van het wisselgeld, waardoor een rit ineens 2,5 keer duurder zou worden. Onveilig hebben we ons tot nu toe gelukkig niet gevoeld. De mensen hier leven een praktisch, aards leven, in tegenstelling tot ons leven, dat meer uit (virtuele) ideeën bestaat.

Mobiel internet werkt hier meestal maar matig. Het is vaak langzaam en haperend. De dekking is slecht, wat gezien de geografische en economische omstandigheden te verwachten valt. Een eenvoudige GPRS-verbinding is bijna altijd stabieler dan een vier keer zo snelle EDGE-verbinding (in theorie tot één megabit per seconde). Met de Android applicatie Network Speed kan ik zien hoeveel verkeer er heen en weer gaat. Meestal is het enkele kilobytes per seconde, met af en toe pieken van 5-10 kb/s. Regelmatig komt er geen antwoord van het netwerk. We moeten in Nederland blij zijn met alle goede infrastructuur die we hebben.