Jordanië – foto’s
De Dode Zee
Al vroeg gingen we met een mini-busje naar Amman. Een service-taxi bracht ons naar het Muhajireen busstation. Bij aankomst bleek dat niet te kloppen, maar dat was niet zo erg. Na flink onderhandelen over de prijs gingen we met een taxi naar de Dode Zee (البحر الميت).
De Dode Zee is op bacterieën na letterlijk dood. Het zoutgehalte is 33 procent, negen keer meer dan dat van de oceanen. De zee, eigenlijk een meer, is drie miljoen jaar oud en ligt tussen Israël/Palestina en Jordanië in. Hier is het laagste punt van de aarde, 417,5 meter beneden zeeniveau! Het niveau zakt elk jaar met een halve meter door verdamping en door het winnen van mineralen, zoals kalium. Het meer is maar liefst 378 meter diep.
Uiteraard hebben we in het meer ‘gezwommen’, hetgeen een heel aparte ervaring was (zie foto’s). De zoutkristallen, soms hele klompen, liggen op de bodem van het meer. Aan de kust zijn op sommige plekken grote, harde zoutstroken.
De taxichauffeur bracht ons nog vier kilometer verder, waar ik na enige inspanning een geocache vond, wellicht de laagste op aarde (min 111 meter), maar niettemin nog hoog boven de Dode Zee. Ik liet Annie Anemone achter en nam Spicy Geocoin mee.
Nadat de taxi ons bij hotel Caïro had afgezet en we weer hartelijk ontvangen waren, gingen we ook nog met een service-taxi naar het Jordan National Gallery of Fine Arts. Het is één van de weinige plaatsen in Jordanië waar je niet-religieuze kunst, voornamelijk schilderijen, kan zien. Het was zeker de moeite waard.
We aten in Hashem restaurant, waar de koning van het land ook wel eens falafel komt eten.
We blijven nog één dag in Amman en gaan dan weer naar huis. Het is hier nu nog zo’n 25 graden in de middag. In Nederland zal het zo’n 25 graden kouder zijn, brrrr.
Ajloun en Pella
De busreis van Aqaba naar Irbid van ruim 400 kilometer is waarschijnlijk de langste reis die met het openbaar vervoer in Jordanië gedaan kan worden. Niettemin is de ca. 5,5 uur in een wat luxere bus snel voorbij. Bij het verlaten van de free zone van Aqaba moest iedereen de bus uit en werden sommige tassen doorzocht.
In Irbid sliepen we in het al-Ameen al-Kabeer hotel, dat na een verfbeurt zijn deuren weer heeft geopend. De ontvangst was bijzonder vriendelijk, maar er was helaas geen warm water.
In Irbid heb je geen last van taxichauffeurs die iedere minuut toeteren en vragen waar je heen wilt. Verder zijn de prijzen voor bewoners en toeristen gelijk. Een kopje koffie is dan ‘gewoon’ 20 of 30 piasters i.p.v. 1 dinar (ongeveer een euro) of soms wel 2 dinar in het meer toeristische zuiden van het land. Verder is het landschap in het noorden aangenamer voor het oog, omdat er veel meer bomen en struiken zijn.
Als snel kwamen we Mohammed, de broer van 3alaa, tegen. Na het eten van een uitstekend broodje falafel in een kleine winkel met alleen wat stoelen, bezochten we zijn familie. We namen luxe nootjes mee. We kregen thee en hebben wat gepraat. Ze wilden weten waar we geweest waren en wat we van Jordanië vonden.
De volgende dag gingen we eerst vroeg naar de Yarmouk University om aan de Franse leraar van 3alaa vrij de vragen. Dit was geen enkel probleem. 3alaa kan natuurlijk veel beter Frans met toeristen oefenen dan in de klas.
Daarna bezochten we samen met 3alaa het sfeervolle kasteel op een berg nabij het stadje Ajloun (عجلون). Het kasteel met de naam Qala’at at-Rabad, is mooi gerestaureerd. Aan alle kanten is er een schitterend uitzicht. De prettige geur van naaldbomen kwam met een licht briesje uit het dal naar boven. Bovenop het kasteel vonden we een geocache. Dit was de eerste keer voor de zeer geïnteresseerde 3alaa.
Na de lunch in Ajloun bezochten we de bijzonder interessante archeologische vindplaats Pella (Arabisch: Taqabat Fahl; طبقة فحل). Het was één van de Decapolis (10 Romeinse steden). Een miljoen jaar geleden (!) woonden hier al mensen. Het meest zichtbare waren de resten van een Byzantijnse kerk. Er zijn nog maar weinig opgravingen gedaan. Je loopt er letterlijk over de potscherven. De geocache konden we niet vinden; waarschijnlijk is hij weg.
3alaa bedankt voor je tijd en voor het regelen van alle mini-busjes!
Aqaba
Aqaba (العقبة) is een snelgroeiende grote stad in het uiterste zuiden van Jordanië. De stad is inmiddels groter dan het Israelische Eilat (>100.000 inwoners) aan de overkant van de Rode Zee.
Aqaba ligt in de zogenaamde Special Economic Zone (ASEZ), waar lagere belastingtarieven gelden. De stad is dan ook een winkelparadijs voor de wijde omtrek. Er worden o.a. luxe goederen en mooie sieraden van zilver, koralen en schelpjes verkocht.
Overdag is het hier nu ca. 30 graden en ‘s-nachts zakt de temperatuur naar zo’n 20 graden. Met de wind van de zee is het best aangenaam, hoewel het vrij vochtig is.
We sliepen een nacht in het vrij eenvoudige al-Khouli hotel, niet zo ver van de Sherif al-Hussein bin Ali moskee in het centrum van de stad en een nacht in het ruime, maar niet heel schone al-Safa hotel, dichtbij de wat luxere Trust bus naar het noorden (Amman, Irbid en Azraq).
Het eerste wat we deden was het afspoelen van al het rode stof van Wadi Rum onder de douche. Ik heb ook gelijk al onze stoffige kleren gewassen. In deze warmte drogen zelfs spijkerbroeken snel.
We bewonderden de zonsondergang op het strand en bij de hoogste vlag van de wereld (137 meter; 7 meter hoger dan die in Amman).
We zijn een dag en een nacht naar Bedouin Garden Village geweest, een prettige verblijfplaats aan de Rode Zee ten zuiden van Aqaba. Het onderwaterleven is hier bijzonder interessant. We hebben dan ook een paar keer gesnorkeld. We zagen vele soorten koralen en, vaak felgekleurde, vissen. Het leukst vond ik een enigszins gevaarlijke gewone koraalduivel (Pterois volitans). Ook leuk was dat er een paar keer een grote school kleine, bijna doorzichtige visjes om mij heen zwom. Verder hebben we wat in de zon gelegen. In een Islamitisch land is dat zelden mogelijk. De mensen houden hier meestal alle kleren aan als ze naar het strand gaan, zelfs als ze gaan zwemmen.
Toen we teruggingen naar de stad, ging het mini-busje eerst naar de grens met Saoedi-Arabië. Hier is een grote kaliumfabriek. Kalium (potassium) is één van de weinige grondstoffen van Jordanië met enige waarde. Het wordt o.a. voor kunstmest gebruikt.
We vonden weer een geocache met daarin de travel bug Annie Anemone, die we meenamen om ergens anders weer achter te laten.
Met een mini-bus vol toeristen kwamen we na anderhalf uur rijden aan in het kleine stadje Rum in de vallei van Wadi Rum (وادي رم). Even daarvoor stopten we kort bij het bezoekerscentrum om de toegangsprijs te betalen voor het sinds 1988 beschermde gebied. Het stadje bestaat voornamelijk voor de vele toeristen die het wonderlijke landschap komen bekijken.
Na even bijkomen in het kantoor van de gidsen, vervolgden we onze weg met een oude Toyota Landcruiser en zes andere toeristen. We bezochten Lawrence’ bron (ain ash-Shallalah), Khazali canyon, de rode zandduinen (al-Hasany), Anfishieh inscripties (ca. twee millenia oude rotstekeningen van o.a. kamelencaravans) en Lawrence’ huis (al-Qsair). Op een groot kleed in de schaduw aten we gezamenlijk de in het stadje gekochte lunch. Over en weer werden er ingrediënten geruild. Na een siësta bezochten we nog Burdah arch (80 meter hoog) en zagen we Um-Fruth arch van een afstand, beide natuurlijk gevormde rotsbruggen. Echt interessant waren alleen Lawrence’ bron (vanwege het mooie uitzicht) en de rode zandduinen (vanwege de mooie kleuren en het lekkere gevoel aan je voeten), hoewel het leuk was om de Burdah rotsbrug te beklimmen. Niettemin is het een goede kennismaking met het landschap met zijn vreemd gevormde rotsen en verschillende rode, witte, gele en zelfs groenige kleuren.
Tegen zonsondergang arriveerden we in het Bedouin Meditation camp van Zedane al-Zalabieh. In de verte zagen we de zon tussen de grillige rotsen kleurrijk ondergaan. Het avondeten was een buffet met gekruide groentenmix, rijst en onder de grond bereide, gepofte aardappelen, geroosterde uien en kip. Na het eten werd er op een ud gespeeld. De muziek is vrij eentonig, een weerspiegeling van het harde leven in de woestijn. In de bedden waren gelukkig geen beestjes. In enkele kampen is dit een groot probleem. Sommige mensen sliepen onder de sterrenhemel, maar wij vonden het daar te koud en te winderig voor.
Na het ontbijt besloten we om nog een tweede dag en nacht te blijven om van de mooie kleuren en de absolute stilte te genieten. Ik heb lang gezocht naar een geocache achter de witte rotsen die zichtbaar zijn vanuit het kamp, maar ik kon hem helaas niet vinden. Hanneke heeft wat getekend en backgammon leren spelen, een spel dat gecompliceerder is dan het lijkt. Verder hebben we wat gepraat met Edvard, een Zweedse jongen en de Duitse Karoline, die voor een jaar vrijwilligerswerk in het kamp doet. Tegen zonsondergang kwam er een groep Italianen en een aantal individueel reizende toeristen. Het ritueel van de vorige avond herhaalde zich. Het leek mij dat de Bedoeïenen wat onverschillig zijn (geworden?) richting de toeristen, maar het kan ook gewoon hun aard zijn. Aardig was dat de taxi naar Aqaba door Zedane betaald werd.
Petra
Tamara, een Amerkaanse vrijwilligster in het Dana hotel, moest naar Amman om een pakketje af te halen. Wij mochten met haar taxi mee. We werden afgezet aan de Desert highway, één van de drie snelwegen die noord-zuid door Jordanië lopen. Eerder reisden we al langs de King’s highway van Madaba naar Karak, die vroeger door de Nabataeans en de kruisvaarders werd gebruikt. We kregen een betaalde lift in een luxe auto naar Ma’an. Daar moesten we nog naar het busstation lopen. De bus was al bijna vol toen we aankwamen, dus we gingen snel weg. Het is maar ongeveer drie kwartier naar Wadi Musa (وادي موسى), het zeer toeristische stadje nabij Petra (البتراء).
We overnachtten vier nachten in het Peace Way hotel. In Dana hebben we van een Nederlands stel kaartjes voor Petra gekregen (bedankt!) die nog één dag geldig zijn, dus we hebben in de middag gelijk al rond kunnen kijken. Later ontdekten we dat meerdaagse kaartjes niet overdraagbaar zijn (het paspoort wordt geregisteerd). De toegangsprijs is deze maand ongeveer verdubbeld, naar 50, 55 of 60 dinar voor respectievelijk 1, 2 of 3 dagen (een dinar is op dit moment ongeveer een euro waard). In dit land, waar een broodje falafel een kwart dinar kost, is dat erg veel geld.
De sfeer is hier heel anders dan in Dana. Het is letterlijk het andere uiterste. Er zijn heel veel toeristen, zo’n half miljoen per jaar, en de Jordaniërs zijn hier vaak, maar gelukkig niet altijd, kortaf en zakelijk. De kinderen zijn soms heel vervelend, dus ik ben bang dat dit niet gaat verbeteren. Als Petra niet zo indrukwekkend was geweest, had ik hier de volgende dag meteen weggegaan.
Gelukkig is Hanneke niet allergisch voor de vele paarden en ezels die gemakzuchtige toeristen door het uitgestrekte Petra vervoeren. Dit was overigens de reden dat we de kaartjes hebben kregen, de vrouw van het stel was te allergisch voor de paarden om nog een tweede dag te kunnen gaan. De paarden die drie zwaarlijvige mensen in een wagentje naar boven brengen hebben het zwaar. De prijzen zijn belachelijk hoog, voor een ritje op een ezel wordt zonder blikken of blozen 35 dinar gevraagd. Blijkbaar zijn er genoeg toeristen die vermoeid genoeg zijn om dit ervoor te betalen. Wij verlieten in ieder geval Petra langs de achteruitgang langs een weg naar een klein, hoger gelegen dorpje, waar we een betaalde lift terugkregen.
De gebruikelijke weg naar het centrum van Petra is door de 1200 meter lange Siq, een smalle canyon, gevormd door tectonische krachten. Aan het einde van de Siq zie je al-Khazneh, de schatkamer, hét icoon van Petra. Verderop is er een straat met façades, een theater en de koninklijke graven. Hierna komt het centrum van de stad, met onder andere een straat met pilaren (Romeinse invloeden) met aangrenzend onder andere drie marktplaatsen, het koninklijke paleis, twee tempels en een kasteel (Qasr al-Bint). Veel verder zijn we de eerste halve dag niet gekomen.
De tweede dag bezochten we te voet al-Wu’ira, een vervallen kasteel van de kruisvaarders, strategisch gelegen vanwege de diepe kloven die de rots omringen, waarop het kasteel is gebouwd. Er is een mooi uitzicht op een schitterend rotsachtig, oud landschap. Het regende een paar druppels. Hier komen slechts weinig toeristen.
De derde dag brachten we van ‘s-ochtends vroeg tot laat in de middag in Petra door. Nadat we de lange Siq door hadden gelopen, bezochten we de hoge offerplaats, waar er een mooi uitzicht is op het centrum van de stad en de koninklijke graven. Bij de naburige Obelisken vonden we een geocache. Helaas troffen we daar ook een verwaarloosde en gewonde ezel aan. Het zadel was gebroken en hing los bij de buik van het arme dier. Ik heb het zadel losgemaakt en weggegooid. We hebben dit gemeld. Bij de ingang wordt hierom verzocht door the Brooke Foundation. Na deze wat mindere ervaring bezochten we de kerk van Petra, waarvan de prachtige mozaïeken, meest dierenfiguren, bijzonder goed bewaard zijn gebleven. Daarna beklommen we de ca. 800 treden naar al-Deir, het klooster, wat mij betreft het hoogtepunt van Petra. Het pad is spectaculair, net als het uitzicht op de top. We gingen terug langs de koninklijke graven. Het had even geregend, dus we hadden geen last meer van het stof. Verder was het bewolkte weer, heel aangenaam voor het anders hete Petra. Gisteren was het vastendag voor Id al-Adha (عيد الأضحى), het offerfeest. Vandaag worden schapen, koeien en kamelen geslacht. Een gedeelte van het vlees wordt aan de armen gegeven. De imam (إمام) hield vanaf vijf uur ‘s-ochtends een ruim drie uur durende voordracht …
De vierde dag hebben we gelift naar Siq al-Barid, beter bekend als het kleine Petra. We reden mee met een man die groenten verhandelde. Het was lekker rustig en de Nabataeanse schilderingen waren zeer de moeite waard. In Petra is ook een beschilderd huis, maar lang zo mooi niet als deze hier. Aan het eind is er een lange, stenen trap in een smalle kloof. Nog een stukje hoger is er een mooi uitzicht, waar ik nog een geocache vond. We reden met twee Schotse mensen en een begeleider mee terug naar Wadi Musa. We kwamen langs een vreemd gevormde rots die lijkt op een olifant.
Meestal aten we in Wadi Musa van het prima buffet in restaurant Cleopatra. Het warme eten van het hotel waar we slapen is slechts matig van kwaliteit.
Bij de kapper kreeg ik een gezichtsmassage en een masker van Dode Zee klei en andere smeersels zoals munt met aloë vera. Speciaal was dat alle kleine haartjes in mijn gezicht door de vingervlugge kapper met een stukje garen werden verwijderd.
Dana
Met het transport naar Dana (ضانا) hadden we weer veel geluk. Toen we op het busstation van Karak stonden te wachten op een mini-busje naar Tafila, bood een aardige taxichauffeur ons aan om ons direct naar Dana (> 1500 m) te brengen voor een zeer schappelijke prijs. Hij kwam uit Ma’an (معان), verder zuidelijk dan Dana. Hij had waarschijnlijk mensen naar Karak gebracht. Op vrijdag, wat voor de Islamitische wereld als een zondag is, valt hier het publieke transport vrijwel stil, dus we hebben niet lang getwijfeld. Bovendien is het publieke transport in het zuiden van Jordanië sowieso beperkt.
Dana is een klein, 15e eeuws, Ottomaans dorpje, dat een generatie geleden verlaten is, maar nu weer bewoond is vanwege de toeristen die het grootste natuurreservaat van Jordanië komen bezoeken. Aan de rand van het charmante dorpje of wat hoger vanuit het bezoekerscentrum is er een prachtig uitzicht op een grote canyon. Vooral met zonsondergang zijn de kleuren adembenemend. In het donker zijn in de verte de lichten van Jeruzalem en een stuk of vijf andere grote plaatsen in Israël zichtbaar.
Het is een heerlijke plaats om te verblijven. We overnachtten in het Dana hotel van de Sons of Dana coöperatie. De inkomsten komen ten goede aan de lokale bevolking in de vorm van medische en sociale projecten. Ik hoop dat het toerisme hier bescheiden blijft, maar ik ben bang dat het dorpje in een paar jaar snel zal veranderen. Er komen nu al toergroepen langs.
In het natuurreservaat leven ongeveer 180 soorten vogels en 45 soorten zoogdieren, waarvan er 25 met uitsterven bedreigd worden. Verder zijn er 100 archeologische vindplaatsen en werd er 6000 jaar geleden al koper gewonnen. De ooit grootste smelterijen van het Midden Oosten worden in de bijbel genoemd.
‘s-ochtends zochten we de grootste van de vijf waterbronnen op. Hoewel het water drinkbaar is, is de omgeving van de bron vervuild met plastic e.d. Wat verderop bloeiden er een soort gele krokussen midden in het zand.
Ik ben aan het einde van de middag zo’n 500 meter naar beneden en weer omhoog gegaan. In de verte hoorde ik een uil, maar verder heb ik geen wild gezien. De stilte beneden is oorverdovend en de kleuren van de rotsen zijn ongelofelijk, zeker met de ondergaande zon.
Misschien gaan we op de terugweg naar het Noorden nog een paar dagen naar deze plaats.
We reisden met een mini-busje, het gebruikelijke transportmiddel voor de Jordaniërs, naar Dhiban, daarna staken we met een privé-taxi Wadi Mujib over naar Ariha (أريحا), waar we weer verder gingen met een mini-busje naar Karak (الكرك). Eigenlijk hadden we veel geluk met het transport, omdat we nauwelijks hoefden te wachten.
Wadi Mujib (wadi is Arabisch voor rivier) is een spectaculaire canyon, waarvan gezegd wordt dat Mozes er doorheen liep. Er is een stuwmeer en een klein riviertje. De canyon is een kilometer diep en vier kilometer breed.
Karak is een leuk stadje op een heuvel, bekend om zijn grote kasteel, dat oorspronkelijk gebouwd werd in 1142 in de tijd van de kruistochten.
We dronken thee bij een kleermaker die ons bij het passeren spontaan uitnodigde. Overal horen we ‘welcome to Jordan’.
We hebben overnacht in het Towers Castle hotel, een steenworp van het kasteel. We aten zoals zovaak falafel. Als vegetariër kan je hier beter niet allergisch zijn voor kikkererwten …
Madaba II
Vandaag probeerden we naar de Dode Zee te gaan, maar dat is niet gelukt. Ondanks een lastige taxichauffeur vonden we de juiste minibus, maar na een poos wachten vonden we het te laat geworden en vonden we het risico dat we niet meer terug konden komen te groot.
We bezochten het Madaba museum. De vriendelijke ticketverkoper, zelf een Bedoeïne, leidde ons rond. Er zijn authentieke mozaïeken, die speciaal voor ons nat gespoten werden, een archeologisch museum en een Bedoeïne folklore museum. Bij elkaar zeker de moeite waard. Verder bezochten we nog de kerk van de apostelen, met een heel groot mozaïek uit 568 na Christus, gemaakt door Salomios.
Madaba
Vanuit Umm Qais reisden we via Irbid en Amman naar Madaba (مادبا). We overnachtten in het schone Madaba hotel. De bedden zijn heel goed!
De volgende dag bezochten we St George’s kerk, bekend vanwege een groot mozaïek (oorspronkelijk 15-20 x 6 meter) dat alle Bijbelse plaatsen van het Midden Oosten weergeeft (560 na Christus). Daarna bezochten we het archeologische park met nog meer mozaïeken, de oudste van Jordanië. De andere bezienswaardigheden waren helaas gesloten.
Vanwege parlementsverkiezingen hangen er overal spandoeken en posters en rijden er personenauto’s volgeplakt met posters toeterend rond.
Umm Qais
Via het noordelijke busstation van Irbid reisden we naar Umm Qais (أم قيس; ca. 45 minuten) in het uiterste noord-westen van Jordanië. Hier is één van de Decapolis (10 Romeinse steden). Deze Romeinse stad, oorspronkelijk Gadara genoemd, is wat kleiner dan Jerash en gelukkig veel minder gerestaureerd. Ook komen er veel minder toeristen. De sfeer was heel aangenaam. We hadden uitzicht op de vlakte van Golan (Israël) en het meer van Galilea met de stad Tiberias duidelijk zichtbaar. We wandelden op ons gemak over decamanus maximus, een Romeinse weg naar de Middelandse Zee. Interessant was een Romeins mausoleum dat voorkomt in de bijbel (Matthéüs 8:38). Ook het kleine museum was de moeite waard.
Irbid
Bij de dienstuitgang van Jerash gingen we met een minibusje naar het busstation. Hier aten we wat en spraken met een meisje dat Engels met ons wilde oefenen. Van verschillende mensen kregen we verschillende aanwijzingen over waar de bus naar Irbid (إربد) zou vertrekken. Uiteindelijk reed de bus naar de andere kant van het kleine station dan waar we stonden, wat verder geen problemen opleverde.
Het hotel dat we hadden uitgekozen, al-Ameen al-Kabeer bleek vol te zijn (later bleek dat de kamers opnieuw geverfd werden). Het kostte enige tijd om een ander, niet al te duur hotel te vinden. Na een Turkse koffie met kardemom, werden we door 3alaa, die ons aansprak, naar het eenvoudige hotel Turism gebracht (zonder warm water).
3alaa bood ons aan om de volgende dag met ons naar Umm Qais te gaan. Ook nodigde hij ons uit om mee te gaan naar zijn huis. We kregen thee en wat later een maaltijd aangeboden. We werden voorgesteld aan de mannelijke helft van de familie, waaronder een jongen met de naam Noosh, die zichzelf een romanticus vond. Hanneke heeft ook een poosje bij de vrouwen in een ander vertrek gezeten. Het was heel gezellig! Uiteindelijk bleek 3alaa een examen op de universiteit te hebben, zodat het helaas praktisch gezien niet mogelijk was om samen naar Umm Qais te gaan.
Irbid is een grote, maar geen ongename stad. Zo’n 60% van de Jordanen woont in Irbid (600.000 inwoners), Amman (2,5 miljoen inwoners) of Zarqa (750.000 inwoners).
Jerash
Via het noordelijke busstation van Amman, Tabarbour, reisden we naar Jerash (ca. 1 uur), een oude Romeinse stad die 15-20.000 inwoners telde. De ruïnes zijn zonder meer imposant. Er is o.a. een groot hippodroom (sportveld), een ongebruikelijk ovaal forum (80 x 90 meter), een Zeus tempel (162 na Christus), twee theaters, een Nymphaeum, een Propylaeum, een Artemis tempel (150-170 na Christus), 15 kerken (ca. 500-600 na Christus; in 324 na Christus werd het Christendom het officiële geloof van de Romeinen onder het bewind van Constantine) en twee poorten. Het terrein is enorm groot en er liggen overal resten van de stad. Bij de Artemis tempel vonden we na enig zoeken een geocache.
Azraq
Na een eenvoudig ontbijt reisden we via Zarqa (الزرقاء; ca. 25 minuten) naar het oostelijk gelegen Azraq (الأزرق; ca. 1,5 uur), gelegen op de oude handelsroute tussen Baghdad en Jerusalem en op weg naar Mekka. Nu rijden er vooral vrachtauto’s tussen Iraq en Saoedi-Arabië.
We bezochten Qasr al-Azraq (قصر الأزرق) nabij het noordelijk deel van de stad. Het oorspronkelijk Romeinse kasteel (ca. 300 na Christus) is herbouwd in 1237 en werd gebruikt als verdedigingswerk tijdens verschillende conflicten, o.a. door Lawrence of Arabia in 1917-8. Van de geschiedenis van het kasteel is weinig bekend en opgravingen zijn er nog nauwelijks gedaan.
We hebben er even gezellig gepraat met een wat oudere man, Yasin, die al 12 jaar lang souvenirs voor de ingang van het kasteel verkoopt. Deze vriendelijke man regelde ook een minibusje voor ons naar hotel al-Zubi. Hij was in de veronderstelling dat Europese overheden reizen van gepensioneerde mensen naar Jordanië betalen …
Nadat we een kamer hadden gekregen, zaten we een poosje in de salon die tevens als kantoor dient. Een rijke Saoedisch-Arabische man in een witte ‘jurk’ met een soort zwarte slang was trots op zijn vier auto’s, vier vrouwen en 20 kinderen. Hij nam mij mee naar zijn kamer om whiskey te drinken. De pillen (vitaminen?) die hij aanbood, heb ik maar beleefd geweigerd. Later kregen we ook nog ongewenst parfum opgespoten. De aanleiding van dit alles was dat we geen kinderen hebben …
De volgende dag bezochten we met een taxi Qasr Amra (قصر عمرة) en Qasr Kharana (قصر خرّانة), beiden gebouwd door de Umayyads. De eerste Qasr staat op de werelderfgoed-lijst en is bekend om zijn, voor Islamitische begrippen, gewaagde fresco’s. Het was een caravanserai, bad- en jachthuis. De andere Qasr is meer een goed gerestaureerde burcht, waarvan de functie nog onduidelijk is.
Het landschap is dor, droog en kaal, hoewel hier nog niet zo lang geleden een grote Oasis was. Het is treurig dat het fossiele water is opgemaakt door de inwoners van de hoofdstad Amman. Hierdoor is al het wild verdwenen en komen er nog nauwelijks trekvogels. In de zomer kan het hier ruim 50° worden.
De taxichauffeur hield de bus terug naar Zarqa voor ons aan, dus we hoefden niet te zoeken en te wachten. Bij het busstation hebben we heerlijk gegeten. We hadden leuk contact met het personeel.
We slapen vannacht in hotel Caïro in Amman. Ook hier hadden we weer gezellige gesprekken.
Amman
Gisteravond zijn we na een goede reis aangekomen in de hoofdstad van Jordanië, Amman. Na een lekkere falafel sliepen we in het door de reisgids aanbevolen Palace hotel.
Vandaag zijn we na het ontbijt verhuisd naar het goedkopere en naar onze smaak sfeervollere Baghdad Grand hotel even verderop.
Rond het middaguur bezochten we de grote citadel op Jebel al-Qala’a (ca. 850 m), één van de oorspronkelijk zeven heuvels waarop Amman gebouwd werd. De geschiedenis gaat terug tot de bronstijd. Zichtbaar zijn nog de gerestaureerde resten uit het Romeinse tijdperk, o.a. een paleis van Heracles, een audiëntie hal, een enorme cistern (waterreservoir) en een Byzantijnse Basilica. Er is een mooi uitzicht op diverse delen van Amman en op de grootste vlag van Jordanië (135 meter hoog en 60 bij 40 meter groot). Het nabij gelegen nationale archeologische museum was overzichtelijk en zeer de moeite waard. Een verrassing was een aantal leren bladzijden van de Dode Zee rollen.
Na een laat middageten en thee met baklava bezochten we eerst het Nymphaeum en daarna het sfeervolle Romeinse theater. Er zijn zo’n 6000 zitplaatsen en het werd oorspronkelijk gebouwd in de tweede eeuw na Christus.
Het weer is heel aangenaam, het is zonnig, zo’n 25° en er staat een licht briesje. De mensen zijn bijzonder vriendelijk. Ik voel mij hier heel welkom.
Op reis naar Jordanië
Alweer volgende week woensdag vliegen we voor 25 dagen naar Jordanië met Royal Jordanian Airlines.
| Amsterdam (AMS) | Amman (AMM) | 3 november 2010 | 12:40 | 18:20 | RJ0152 |
| Amman (AMM) | Amsterdam (AMS) | 27 november 2010 | 11:30 | 15:50 | RJ0151 |
Vanuit Amman gaan we het land verkennen.
Op het programma staat onder andere een bezoek aan de Dode Zee, Petra en Wadi Rum.
Informatieve website: Ruth’s Jordan Jubilee
