Bolivia is een wat lastiger land om te reizen. Vooral in de kleinere steden en dorpen is (de frequentie van het) vervoer vaak een probleem. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de lage bevolkingsdichtheid (minder dan 10 mensen per km2) en met het feit dat Bolivia één van de armste landen van Latijns-Amerika is.
De mensen zijn meestal aardig, maar enigszins gesloten. Een enkele keer zijn ze afstandelijk en nors, naar onze ervaring vooral de wat rijkeren (vraag maar geen lift aan iemand in een spiksplinternieuwe 4WD).
Het eten in de grote steden is redelijk goed, maar in kleinere plaatsen is het rijst, aardappelen en (gedroogd; charque) vlees wat de pot schaft. Veel Bolivianen zijn dik van het twee of drie keer per dag rijst en aardappelen eten.
Uniek zijn de landschappen in het zuidwesten van het land, met onder andere de grootste zoutvlakte van de aarde. Ook uniek zijn de mijnen nabij Potosí en Oruro, waar nog grote aantallen mensen in coöperaties onder zeer slechte omstandigheden werken.
We reisden aan het einde van de droge periode, wat als voordeel heeft dat het niet erg koud is in het zuidwesten. Het nadeel is echter dat de vaak slechte wegen erg stoffig zijn en dat je last van je neus krijgt. Omdat we langzaam gestegen zijn, hebben we nauwelijks last van de grote hoogte gehad, hoewel je wel wat sneller buiten adem bent, als je niet rustig aandoet. De hitte in Santa Cruz viel door de bewolking erg mee (er vielen zelfs enige druppels regen).
Typische Boliviaans
- Paceña, huari, sureña, taquiña (bier)
- Entel, tigo (telecommunicatie)
- Jugo de maracuya (sap van de passievrucht met water)
- Frutilla (sap van aardbeien met water of melk)
- Guineo con leche (drank van banaan en melk)
- Té con canela (thee met kaneelsmaak)
- Charangos
- Polleras (rokjes in de vorm van een lampekap)
- Pocachas (lange, dubbele vlechten met balletjes aan het eind)
- Monteras (bolhoeden)
- Baby in doeken (mantas)
- Slechte internetverbindingen, soms zelfs een gedeelde GPRS-verbinding
- Buen aproveche (eet smakelijk na het eten)
- McLlama (een grap)
- Open en bloot de borst geven (op straat, in de taxi, etc)
- Toyota boliviana (ezeltjes)
- Flota (bus)
- Pollo picante (pittige kip)
- Om de waarheid heendraaien om geen nee te hoeven zeggen
- Verkleinwoorden: ahorita (nu), cafecito (koffietje)
- Laag tempo: b u e n a s t a r d e s (goedemiddag)
- Bolivianos (munteenheid)
- Chaqueo
Foto's
Reisroute
Vanuit Aiquile reisden we aan het einde van de ochtend met een kleine bus naar Totora. We hadden staanplaatsen, maar gelukkig kwamen er mensen niet opdagen, zodat we toch konden zitten. Totora stelt niet veel voor, maar we konden wel een taxi regelen naar het strategisch gelegen Incallajta (ingang: 2930m), een bouwwerk van de Inca’s om de oostgrens van hun rijk te beschermen. Het is één van de belangrijkste archeologische plaatsen in Bolivia, nochtans waren we de enigen op deze niet zo goed te bereiken plaats. Het is een soort mini Machu Picchu. Naast de resten van grote bouwwerken was er een mooie waterval, gekscherend de Inca-douche genoemd.
We lieten ons op de terugweg afzetten in Epizana (2915m), op het kruispunt van de weg naar Totora en ruta 7 km 129 (de oude weg tussen Cochabamba en Santa Cruz). Niet echt een gezellige plaats. De slaapplaats, hotel Tunari, was klein en niet erg schoon. Er zou de volgende dag om negen uur een bus naar Santa Cruz zijn. Om 10 uur werd er gezegd dat er om 12 uur een bus zou zijn. Gelukkig konden we een lift krijgen van twee trabajadores (werknemers) naar Villa Esperanza, zo´n 60 kilometer verderop. Daar was het een stuk gezelliger. Een man wilde op Hanneke’s nieuwe charango spelen en er kwam ook een gitaar tevoorschijn. Een uurtje later konden we met een camino (vrachtwagen voor goederen- en personenvervoer) mee. Het was een heel oncomfortabele, stoffige en onverwachts ook een koude rit door de bergen en wolken. Na zo´n drie uur door elkaar geschud te zijn, waren we blij dat we in de grotere plaats Comarapa (1850m) konden uitstappen. De bus richting Santa Cruz was een aantal dagen vooruit volgeboekt, dus we konden alleen een staanplaats krijgen. Gelukkig kon één van ons toch zitten. Na zo´n drie uur stopte de bus helaas net voor onze eindbestemming, Samaipata, voor het avondeten. Het was een vermoeiende dag, maar de komende paar dagen doen we lekker rustig aan.
We kochten de boletos (tickets) voor de bus naar Mizque een dag van te voren. Vervoer naar kleinere plaatsjes is vaak dagen van te voeren volgeboekt. De reis naar Mizque kostte vier uur. Dit keer geen stoffige, rotsige weg, maar kinderhoofdjes en een mooi, vriendelijk landschap. Langs de weg stonden heerlijk geurende groepjes eucalyptus- en naaldbomen. Onderweg reden we langs een diepe quebrada (ravijn). Niet naar beneden kijken als je hoogtevrees hebt!
In Mizque aten we een lunch met papas congeladas (aardappelen met een laagje kaas). Tijdens de lunch hoorden we dat het de laatste dag van het charango-festival in Aiquile was. We besloten daarom om door te reizen. De taxi met een heel jonge chauffeur deed er krap een uur over.
Aiquile was gezellig druk. Het vinden van een slaapplaats was lastig, maar in Alojamiento Turista konden we slapen in een grote kamer die volgepropt was met een stuk of 15 bedden. Anders hadden we waarschijnlijk kunnen slapen in één van de schooltjes. In verband met Allerzielen (de mensen zijn hier overwegend katholiek) was er in de alojamiento een altaar met allerlei etenswaren en een portret van een overledene opgesteld. De volgende dag kwamen kinderen luid gebeden zingen en prevelen en daarna kregen ze wat van de etenswaren mee.
Het festival viel wat tegen. Eerst was er een langdradige prijsuitreiking van zo´n anderhalf uur en vervolgens speelden een aantal bandjes hun oorverdovende muziek. De mensen dronken veel cerveza (bier). Eigenlijk was het meer een disco dan iets anders. We zijn dan ook redelijk vroeg weggegaan.
De volgende ochtend kochten we een mooie, goedklinkende charango voor Hanneke, direct bij de bouwer, de 62-jarige, vriendelijke Luis Soto (in Calle Campero). Ook namen we foto´s van de gigantische betonnen charango een stukje verderop.
Cochabamba is een grote (590.000 inwoners), wat lager gelegen stad (2558m). Een comfortabele bus bracht ons hier in ca. vier uur vanuit het minder interessante Oruro. We kunnen hier weer de hele dag in een T-shirt rondlopen zonder buiten adem te raken. We slapen in het ruime en schone Residencial Familiar.
We waren van plan een uitstapje naar Incallajta (een soort mini Machu Picchu) te doen, maar het is te ver reizen voor een dag (drie uur heen en drie uur terug) en relatief duur, omdat bijna niemand erheen gaat.
Het eten is hier vrij goed. Beter dan de 13-in-een-dozijn pizzerias in andere, kleinere toeristische plaatsen. Gisteren aten we bijvoorbeeld croquetas de atun (tonijnkroketten). Verder hebben ze hier heerlijke zelfgemaakte bonbons. Mijn favoriete smaak is frutilla (aardbei). De koffie wordt hier gemaakt van geconcentreerde, vloeibare koffie waar je zelf heet water bij moet schenken. Het is ietsje zuurder en minder bitter dan we in Nederland gewend zijn. Het alternatief is nescafé, maar daar ben ik niet zo weg van.
Morgenochtend reizen we door naar Mizque en waarschijnlijk een dag later naar Aiquile om een charango voor Hanneke te kopen.
Om zeven uur in de ochtend kwamen we met de redelijk comfortable nachtrein in Oruro (216.000 inwoners; 3702m) aan. Op straat was het nog stil en het viel mede vanwege het tijdstip niet mee om een geschikt hotel te vinden. We sliepen in het middenklasse hotel Repostero. We vinden de stad niet zo heel interessant en behalve de gebruikelijke musea en de niet zo heel eenvoudig te bereiken rotstekeningen bij Calacala is er ook niet zoveel te doen in de stad en zijn omgeving. Morgen reizen we daarom met een bus (ca. 4 uur) door naar de bekendere stad Cochabamba.
In Tupiza boekten we een tour langs de vele bezienswaardigheden in het zuidwesten van Boliva dat ligt ingesloten tussen Chili en Argentinië. We deden de tour samen met Jason Turner, een 27-jarige, intelligente, gepensioneerde (!) Amerikaan uit Phoenix, Arizona. Normaal gesproken gaan er vier of vijf toeristen, een chauffeur/gids en een kokkin (Miriam) in de jeep. We hadden dus het geluk om veel ruimte in de 4WD te hebben.
Het meest interessante op de eerste dag was de omgeving van Tupiza met zijn prachtig gekleurde rotsen en bergen, sillars genaamd. In de ochtend passeerden we een aantal nog in gebruik zijnde mijnen, waar o.a. goud, zilver, koper, antimoon en bismuth op primitieve wijze gewonnen wordt. Tussen de middag kregen we een eenvoudige lunch op een vlakte vol llamas. Opmerkelijk is dat deze dieren allemaal op dezelfde plekken hun zwarte uitwerpselen achterlaten. In de middag zagen we voor het eerst de mooie en elegante vicuñas. De wol werd gebruikt om o.a. fijne truien van te maken. Gelukkig is de vicuña nu beschermd en staat er vijf jaar gevangenisstraf op het doden van een vicuña. We passeerden een aantal kleine dorpjes waar de mensen van slechts alleen llamas leven. Een armzalig leven. Ook zagen we toyotas bolvianas (ezels!). De eerste nacht sliepen we in een eenvoudig, maar wat fris hostal in San Antonio de Lípez (4210m).
De tweede dag werden we om vier uur gewekt voor een eenvoudig ontbijt. Met zonsopgang waren we bij de ruïnes van het verlaten 16/17e-eeuwse mijndorpje San Antonio de Lípez (het dorpje is verplaatst naar een lager gelegen plaats). Hier zagen we voor het eerst vizcachas, een soort konijn met een staart die lijkt op die van een eekhoorn. In de ochtend wachten ze op de warmte van de zon. Kort daarna reden we langs Uturuncu (6008m), een inactieve, maar imposante vulkaan. Later in de ochtend hadden we voor het eerst uitzicht op een van de vele lagunes (Morejon) op 4855 meter. Daarna reden we met de in goede staat verkerende Toyota Landcruiser (166.000 kilometer op de teller) door een lager gelegen, drassig gedeelte met veel yareta (mossoort) en grassen, waar o.a. llamas en huallatas (eendensoort) waren. De volgende stop was bij een lagune waar we voor het eerst in groten getale de prachtige flamingo’s (parinas chicas of flamenco de james) zagen. Na nog een lagune kwamen we onderweg een zorro andino (vossensoort) tegen. Gretig at hij het toegeworpen brood op. Tussen de middag stopten we bij Termas de Polques (4400m), een warmwaterbron van ca. 30 graden gelegen aan de rand van een mooie lagune, waar we voor de lunch een bad in namen. In de middag kwamen we langs het Desierto de Dali, dat zeker enige gelijkenis heeft met een van de kunstwerken van deze bekende, surrealistische kunstenaar. Na Luguna Blanca en Salar de Chalvin stopten we bij Laguna Verde (4400m), een van de mooiste lagunes in de omgeving. In de nabijheid is vulkaan Licancahur (5916m). In deze lagune komen geen flamingo’s voor, omdat het water giftig is. Aan het einde van de middag bezochten we nog de hete Geisers Sol de Manaña (4850m), waar giftige zwavelhoudende gassen opborrelen en omhoog spuiten. Vlak voor de geisers passeerden we het hoogste punt van de tour, 4915 meter. We hebben overnacht in een wat ruimer en warmer hostal bij het dorpje Huayllajara (4375m). In de verte hadden we al uitzicht op Laguna Colorada.
Op de derde dag werden we om zes uur gewekt voor een ontbijt met goed gelukte pannekoeken. Teleurstellend was dat waarschijnlijk één van de toeristen van één van de twee andere tourgroepen een flesje lenzenvloeistof van Hanneke had gestolen. Als eerste bezochten we bij zonsopgang Laguna Colorada (4278m), de mooiste van allemaal. Het water is bruin/oranje/rood gekleurd door een speciale algensoort. Met de bergen op de achtergrond die weerspiegelen in het water een prachtig gezicht! Daarna passeerden we nog vijf andere lagunes (Cañapa, Hedionda, Charcote, Honda en Ramaditas). De flamingosoort (parina grande of flamenco andino) in Laguna Hedionda was minder schuw dan die in de andere lagunes, zodat we mooie foto’s konden maken. Voor de vreemd gevormde Arbol de Piedra (een soort steenboom) passeerden we prachtig gekleurde bergen langs de grens van Chili. De lunch was in de nabijheid van actieve vulkaan Ollagüe (5865m). Daarna reden we door Salar de Chiguana. Deze zoutvlakte die geen zoutvlakte is, wordt doorsneden door een spoorlijn waarover mineralen naar Chili worden getransporteerd. In de verte zagen we bergen “drijven”, een vreemd optisch effect. We bezochten een openlucht museum met “mummies” uit de 13-15e eeuw, genaamd Necropolis. In een soort stenen iglo’s (chullpa) lagen botten, schedels en potscherven en soms wat resten van kleren. We hebben tegen bijbetaling geslapen in het wat luxere Hotel de Sal Samarikuna, dat bijna geheel gebouwd is van zoutblokken. Alle vloeren waren van grove zoutkristallen. De tafels, stoelen en bedden waren ook gemaakt van ronde en vierkante zoutblokken. Bij het avondeten kwamen twee jongetjes en twee meisjes met drie plastic planfluiten en een grote trommel bespannen met dierenhuiden een uitvoering geven van de lokale muziek. Uniek! Voor ons niet voor te stellen, maar er is daar alleen stroom van zeven tot negen uur ´s-avonds.
Op de vierde en laatste dag moesten we weer vroeg opstaan (4:30). In het donker reden we naar de grootste zoutvlakte van de wereld, Salar de Uyuni (3653m). Een enorme vlakte (meer dan 12.000 km², 25% van de oppervlakte van Nederland) van ongeveer een meter dik zout, waaronder wateraders zitten. De zonsopgang was prachtig. Het zout is verdeeld in onregelmatig gevormde vlakken. De randen van de vlakken zijn ontstaan door het verdampen van het water onder het zout. Het zout is afkomstig van de omringende bergen. Het is in de loop van 25.000 to 40.000 jaar door regen naar beneden gespoeld en door de zon ingedampt. Daarna bezochten we Isla Incahuasi, een eiland (heuvel) vol met duizend jaar oude, bloeiende cactussen die slechts 1 cm per jaar groeien. We konden daar vizcachas van dichtbij fotograferen. Bij het onbijt zagen we één wat gedomesticeerde suri (struisvogel). Daarna zijn we een poosje met veel plezier bezig geweest foto’s met speciale effecten te nemen, zoals Hanneke die de jeeps en toeristen in de verte opeet. Het zoutmuseum dat we daarna bezochten was niet zo heel interessant. De enige plaats waar mineraalrijk water opborrelde, dat ook voor medicinale doeleinden wordt gebruikt, riep veel vraagtekens op die onze aardige gids (Juan Carlos alias Charlie) niet kon beantwoorden. De laatste lunch was aan de rand van de enorme zoutvlakte, waar mensen een beetje geld verdienen met de winning van zout. Het met de hand gehakte en opgeschepte grove zout wordt op kleine schaal mechanisch gemalen tot fijn zout en in zakken en zakjes verpakt. De tour eindigde in Uyuni, een aangename wat toeristische stad waar we een dag doorbrachten om op de twee keer in de week langskomende expreso del sur (een nachttrein) naar Oruro te wachten (ca. 7 uur). We sliepen in het redelijk goede hotel Kory Wasy.
Muziekvoorstelling
Ruim zes uur moest de verder redelijk comfortable bus door een droog, ruig en verlaten landschap over een goeddeels ongeasfalteerde weg ploegen om Tupiza (20.000 inwoners; 2950m) te bereiken. Op vele plekken was er een desvio (omleiding), omdat er aan de weg gewerkt werd, zoals aan bijna alle wegen die we tot nog toe bereisd hebben. Er worden onder andere (nieuwe) bruggen gebouwd.
Tupiza is een klein, rustig stadje te midden van een spectaculair landschap. Ten noordwesten is er bijvoorbeeld een dieprood gekleurde bergketen. In de middag verkenden we quebrada palmira (een ravijn) te voet. In de ochtend ging ik naar de peluqueria (kapper). Het is heel kort geworden voor een eurootje …
We sliepen in het uitstekende La Torre hotel met de beste warme douche tot nog toe (geen miezerig straaltje uit een elektrische douche die door de schommelingen in de waterdruk steeds afslaat). Twee Fransen adviseerden ons in Tarabuco om de tour door het zuidwesten daar ook te regelen.
Voor de verandering bereikten we Potosí (150.000 inwoners; 4070m) via een redelijk goede asfaltweg. Het uitzicht was spectaculair, vooral in combinatie met de juist ondergaande zon. De hoogte is hier goed voelbaar, maar als je rustig aan doet en zoals ons geleidelijk omhoog gegaan bent, niet storend.
We sliepen in de wat krappe hostal Felimar in een vervelend doorhangend bed. De volgende dag zijn we dan ook naar het luxere en veel ruimere Hostal Carlos V verhuisd, dat in verhouding eigenlijk maar heel weinig meer kostte. De stad is redelijk toeristisch, wat onder andere betekent dat het eten vrij goed is.
We boekten bij Koala tours een tour naar één van zilvermijnen in de prominent aanwezige 4824 meter hoge Cerro Rico (rijke 'heuvel') nabij de stad. Eerst kregen we mijnwerkerskleding aan: rubberen laarzen, een beschermende broek en jas en een helm met een sterke lamp. Daarna bezochten we een mijnwerkerswinkeltje waar we dynamiet, ammoniumnitraat (om de explosie krachtiger te maken) en een ontsteking kochten en even verderop kochten we ook nog frisdranken en cocablaadjes met bicarbonaat (om de werking te versterken) voor de mijnwerkers. Het dynamiet met toebehoren kostte omgerekend slechts 2,5 euro. Daarna bezochten we een fabriekje waar op mechanische en chemische wijze het zilver gewonnen wordt. Erg veilig en gezond was het niet, de dampen brandden in mijn ogen. Daarna kwam het meest spectaculaire gedeelte, het bezoek aan de mijn zelf. We moesten door lage, heel stoffige, smalle gangetjes lopen, kruipen en klimmen. Soms kwam er een wagon met delfstoffen voorbij. Met doeken voor onze mond en neus probeerden we te voorkomen om de niet geheel ongevaarlijke stof (met o.a. asbest) in te ademen. Onze groep was slechts vier mensen en een gids groot. Drie mensen gingen niet verder dan het eerste niveau. Ik ben samen met de gids naar het vierde niveau geweest, iets wat normaal niet gebeurt. Lager in de mijn wordt het steeds warmer en vochtiger en gelukkig ook minder stoffig. Er zijn nog twee niveaus meer, waar de temperatuur oploopt tot ruim boven de 40 graden. Totaal 60 tot 80 meter diep. De mensen werken hier onder zeer zware omstandigheden en de meesten gaan na 10 tot 15 jaar dood. Het was één van de rijkste zilvermijnen van de wereld. Tragisch is dat in de loop van de tijd miljoenen slaven hier zijn doodgegaan. Bij elkaar was het bezoek aan de mijn een heel indrukwekkende ervaring.
De volgende dag slenterden we door de mooie calle quijarro en bezochten we het casa nacional de moneda, de vroegere munt, nu een groot museum. Het hele proces van munten slaan vanaf de 16e eeuw, eerst met de hand, later met stoomkracht, was goed te volgen. Verder waren er prachtige mineralen, bijzondere oudheidkundige vondsten, waaronder baby-mummies (18-19e eeuw). ´s-avonds bezochten we het eerste internationale charango festival in het Teatro IV Centenario, waar spelers uit diverse landen hun kunsten vertoonden.
Luis Sartor
Met een overvolle micro (een klein busje met 15 mensen en een paar kinderen met bagage op het dak) gingen we naar de mooie, grote stad Sucre (250.000 inwoners; 2790m; chuquisaca). Het busje kon op sommige stukken haast niet omhoog komen en de banden werden onderweg een keer met water uit een fles gekoeld (zou dat helpen?).
We sliepen in het goed bekend staande residencial Bolivia, niet ver van de grote plaza met zijn indrukwekkende, vooral in de avond fotogenieke kathedraal.
Hanneke wenste gisteren pasta pesto en laat het restaurantje waar we naar binnen stapten dat nou net op het menu hebben!
De volgende dag bezochten we het heel aardige Museo Gutiérrez Valenzuela, gevestigd in één van de mooie koloniale gebouwen rond de plaza. Het gebouw was ooit eigendom van de rijke baas van de mijnwerkers. Hij verzamelde meubels en kunstzinnige objecten in Franse stijl, zoals Limoges-porselein en art-nouveau-beelden. Vooral de zaal met goudkleurige spiegels was bijzonder. Daarna bezochten we het religieuze Museo de la Cathedral, bekend door het gebruik van veel edelstenen in de diverse kerkelijke relikwieën. Voor het verlaten van Sucre bezochten we nog de grote, mooie Mercado Central. Bij één van de vele stalletjes dronken we een vers bereide jugo (vruchtensap).
De weg van Zudañez richting Tarabuco (3300m) was vanwege werkzaamheden van zes uur ´s-ochtends tot zes uur ´s-avonds afgesloten. We kwamen dus pas in de avond aan. Op deze hoogte is het aanmerkelijk kouder. We sliepen in alojamiento Cuiza, waar we door het bijbehorende winkeltje naar binnen moesten.
Niet helemaal toevallig waren we hier op zondag, de wekelijkse marktdag. Veel mensen komen dan uit de wijde omgeving in hun specifieke klederdracht waren kopen en verkopen. De markt is dan ook heel kleurrijk en ondanks de toeristen die meestal vanuit Sucre de markt komen bezoeken nog heel authentiek. We aten bij doña “Kuky” bij de plaza, een vrolijke, behulpzame dame (ze huppelde en zong tijdens het bereiden van de gerechten).













































































