Egypte vraagt IMF om hulp, kampt met brandstoftekort

Sta hier eens even bij stil:

Omdat meer dan veertig procent van de 85 miljoen inwoners op of onder de armoedegrens leeft …

Dat zijn dus zo’n 35 miljoen mensen die onder de armoedegrens leven.

 

We volgden sendero (pad) María Josefa (ca. 2,7 km) naar het eerste van de twee Lagunas (meren) Llanganuco, genaamd Laguna Chinancocha (3850 m). Het was een hele inspanning om de 330 meter langs de vele watervalletjes omhoog te komen, enerzijds door de ijle lucht, maar ook doordat ik verkouden was. Het is een bijzonder mooi, rotsachtig pad in een spectaculaire omgeving. Het vochtige klimaat zorgt voor een aparte natuur met veel epifyten en mossen op gedrongen boompjes, sommige bloeiend, waar veel prachtig gekleurde vogels leven. De stammen van sommige boompjes laten hun bast in vele laagjes los en zijn bijna oranje gekleurd. Om je heen zijn donkere, steile bergwanden, waar wolken bij hangen.

Aan het eind van het pad is het prachtige blauwe meer, dat als één van de mooiste van de wereld wordt beschouwd. Letterlijk en figuurlijk adembenemend! We deden een kort, maar leuk tochtje met één van de groene roeibootjes.

We waren vroeg opgestaan om met een combi mee te gaan (ca. 25 km, één uur). De combi zette ons af bij het lage eind van het pad, maar het was gemakkelijker geweest om het pad vanaf het meer naar beneden te lopen.

Omdat het boven koud en ijl was, liepen we een stuk van de weg naar beneden. We konden van bovenaf de omgeving van sendero María Josefa zien. De wolken dicht boven ons lieten wat druppels vallen, maar dat werd minder naarmate we lager kwamen. We hadden geluk, een luxe pickup met twee aardige ingenieurs stopte voor ons en we konden helemaal naar Huaraz meerijden! Dat scheelde veel gedoe en tijd.

 

Yungay (2500 m) is leuk plaatsje, slechts 20 minuten reizen met een combi vanaf Caraz. Boven de Plaza de Armas (centrale plein) staat een vrij grote kerk, die ongebruikelijk rond is en een mooi houten dak heeft. Aan de binnenkant is het aangenaam ruim. Het hout van het dak is aan de binnenkant mooi ingelegd. Achter het altaar staat “Yo soy el pan de vida” (IK ben het brood van het leven).

We slapen op de bovenste verdieping van de heel goedkope, maar goede hostal Sol de Oro (Zon van Goud). Het water in het dorp is op rantsoen, dus we konden niet onder de douche. Het warme water was te heet om onder te staan.

In de straat van onze hostel was een kleine kermis. Heel apart is het spel “tira plata” (geld gooien). Met muntjes van 10 céntimos (ca. 3 eurocent) gooi je van een afstandje op een grote tafel die in kleine, gekleurde vakjes is verdeeld met cijfers van 10 tot 100. Je krijgt zoveel céntimos als de cijfers aangeven van het vakje waarop je muntje blijft liggen. Het verraderlijke zijn de ogenschijnlijk kleine, witte randen om de vakjes. Valt je muntje hier voor een deel op of van de tafel, dan krijg je niets. Voor de lol hebben we met vijf muntjes meegespeeld. Na een grote winst aan het begin, verloren we uiteindelijk al onze muntjes (ca. 15 eurocent).

De volgende dag liepen we naar Yungay Viejo (Oude Yungay; 1,5 km), een plek die ik al eens eerder bezocht. De officiële naam is Camposanto. Het is een begraafplaats en een monument voor een grote ramp, die in 1970 plaatsvond. Een aardbeving zorgde ervoor dat er een stuk van de gletsjer van de enorme berg Huascarán (6768 m) afbrak. Het stadje  ruim 4250 meter lager, werd voor een groot deel bedolven. 20.000 mensen lieten het leven.

De begraafplaats is een grote, ronde heuvel, die uit vier lagen bestaat. In de wanden van elke laag liggen rondom mensen begraven in kleine, genummerde kamertjes. De rijkere of belangrijkere mensen liggen begraven op de plateau’s van één van de lagen. Bovenop is er een groot, wit beeld van Jezus met enigszins vrouwelijke trekjes.

Beneden is het bedolven dorp, waarop een mooi, goed onderhouden park met veel bloemen in de vorm van een kruis is aangelegd. Je loopt dus letterlijk over de bedolven huizen. De resten van de kathedraal liggen aan het eind aan de oppervlakje, net zoals de resten van een totaal verwrongen bus. Helemaal aan het eind staat nog een kerkje die op veel foto’s van Huascarán staat (o.a. op die van wikipedia, maar ik vind mijn foto uit 2005 mooier). Overigens konden we Huascarán niet zien, vanwege de dichte bewolking. ‘s-Middags ging het dan ook een poosje hard regenen.

Op de alternatieve terugweg spraken we een wat oudere, meer welgestelde man (Pepe). Hij liet een huis/winkel bouwen voor zijn kinderen nabij het monument. Hij vertelde ons o.a. dat een stenen huis 10% meer kost dan een adobe huis. Een klein prijsverschil voor de veel grotere veiligheid in het geval van een aardbeving. Zijn vader was Spaans, wat ongetwijfeld een verklaring is voor zijn grotere rijkdom en bredere visie.

De Russen hebben na de ramp houten huizen met zinken daken gebouwd. Op de terugweg zagen we er enkele staan. Ze zijn nog in vrij goede staat.

 

We bezochten de 3800-4000 jaar oude ruïnes met de welluidende naam Tumshukayko, slechts één kilometer van de Plaza de Armas (plein en centrum van de stad) van Caraz (2290 m). De ruïnes van de Huaraz cultuur liggen op een prachtige plaats. Rondom zijn er grote bergen en de twee pieken van de hoogste berg van het continent, Huascarán (6768 m) zijn duidelijk zichtbaar. Beneden stroomt een grote rivier (Rio Santa) door een mooi groen dal. Overal liggen stenen en hier en daar staan nog gedeelten van muren overeind. Het dak dat de belangrijkste muur moet beschermen tegen het weer is dringend aan onderhoud toe.

Eigenlijk wilden we Cañon del Pato bezoeken, maar er was geen transport, omdat het een katholieke feestdag was. Señor de los Milagros (de Heer van de Wonderen) wordt twee dagen gevierd. Een groepje kinderen was bezig om een groot kruis op straat te maken met zwarte en paarse drab, die rook naar asfalt. Het zwarte kruis werd gevuld met bloemblaadjes, die een ander groepje kinderen ijverig aan het plukken was. Verder was er een kleine processie met erg valse muziek. Een klein groepje mannen bracht al wiegend een afbeelding van Señor de los Milagros naar de bank en daarna naar een kloostertje, schuin aan de overkant van ons hostal La Casona.

De volgende dag gingen we met een bus (Yungay expres) naar Huallanca (ca. 1450 m), met als enige reden om door de spectaculaire Cañon del Pato te reizen. Er zijn 35 smalle, ruw uitgehakte tunnels waar de bus maar net in past. De stoffige weg is op sommige plaatsen bijna net zo breed als de bus en als je je hoofd uit het raam steekt, kijk je vaak honderden meters recht naar beneden, waar een rivier stroomt. Op diverse plaatsen wordt elektriciteit opgewekt. Het personeel dat de installaties aanlegt en onderhoudt, woont in een eigen stadje, net voor Huallanca. Het dorpje zelfs is niet zo interessant, dus we namen de tweede bus die langskwam terug (de eerste bus was vol). Omdat er nu veel tegenliggers waren, moest de bus af en toe een stukje achteruit rijden om een andere bus of vrachtwagen te laten passeren. Je hoopt dan maar dat hij niet het ravijn inrijdt … Deze veel langere weg, wellicht één van de meest spectaculaire van Peru, komt uit in Santa waar we eerder waren (8 uur).

 

Het was een hele reis van het vriendelijke dorpje Santa, via de altijd sterk naar vis geurende stad Chimbote (combi, 30 min) en via Pativilca (bus, 3 uur) naar het hooggelegen Huaraz (colectivo, 3 uur). Dit is de lange, maar makkelijke weg naar Huaraz, die de meeste bussen volgen. Vanuit Santa is het ook mogelijk een avontuurlijke weg te volgen, als je daar de tijd voor hebt (met de bus acht uur).

Een stuk voorbij Pativilca (zeenivo) gaat de weg omhoog naar een altiplano (hoogvlakte) van ruim 4000 meter. Het hoogste punt is 4120 meter en daar waren we binnen anderhalf uur. Deze reis kun je beter niet doen, als je nog niet aan de hoogte gewend bent. Hoewel Cuzco op ca. 3310 meter naar mijn ervaring zonder acclimatisering goed haalbaar is, zal dit niet voor iedereen gelden (soroche, hoogteziekte is gevaarlijk).

De bijna lege altiplano is heel mooi. Er zijn veraf en dichtbij met sneeuw en ijs bedekte bergtoppen. We hadden het geluk dat de zon onderging en dat er lichte bewolking was, waar de ondergaande zon op scheen. Dit gaf een bijzonder effect, het hele landschap kleurde oranje mee.

De eerste nacht sliepen we in hotel Las Vegas II, wat achteraf niet zo’n goede keus was, omdat er een disco in de buurt is. De volgende dag gingen we dus op zoek naar een andere slaapplaats.

De belangrijkste eis was laagbouw, want in dit gebied moet je rekening houden met zware aardbevingen. In sommige gebouwen hangen groene bordjes met de tekst “zona segura en caso de sismo” (veilige zone in geval van beving), meestal waar de constructie sterker is. In het verleden zijn hier veel doden gevallen door aardbevingen. Complete stadjes zijn weggevaagd. Ik vrees voor de gevolgen van de volgende terremoto (aardbeving), want veel gebouwen lijken mij daar niet tegen bestand.

We vonden hostal Schatzi (Simon Bolivar 419), een oase van rust. Er is een binnenplaats met een mooie jardin (tuin), met rondom twee lagen kamers. We hebben een kamer op de eerste verdieping, bereikbaar via een rood, ijzeren wenteltrapje een een krakende houten balustrade. De vloer van onze kamer is van houten parket. Beneden hangen een paar vogelkooitjes met gezellig kwetterende parkietjes.

De eerste dag verkenden we op ons gemak de stad. Ik herkende plaatsen waar ik zes jaar geleden was. De stad is echter sterk gegroeid (nu 80.000 inwoners) en net zoals Trujillo veel drukker geworden (maar nog acceptabel). Op straat verkopen vrouwen met mooie hoeden groenten, fruit, kruiden, cake, kleding, etc. Vaak vullen ze de tijd met breien. Er zijn ook oudere mensen bij, soms nog maar met een enkele tanden. De meeste straatverkopers zijn duidelijk heel arm. Als je zit te eten, komt er vaak iemand bedelen. Soms geven we wat geld of het brood dat over is.

De tweede dag bezochten we het nabijgelegen Willkawain (ca. 3400 meter), op de borden aangegeven als Willkahuain. We gingen omhoog met een combi die heel langzaam reed. Helaas was de archeologische vindplaats (700-1000 voor onze jaartelling) op maandag gesloten. We zijn er omheen gewandeld en we vonden veel sfeervolle, half begroeide ruïnes, die we anders waarschijnlijk niet hadden gezien. We liepen tussen de kenmerkende muren van het Huari volk. Overal rook het heerlijk naar de vele eucalyptus bomen die hier groeien. Aan het eind van ons rondje liepen we langs de cementerio (begraafplaats), waar twee groepjes mannen twee nieuwe graven aan het graven waren.

Via kleine paadjes en stoffige weggetjes daalden we langzaam af naar Huaraz (ca. 3 uur). Onderweg kwamen we verschillende mensen tegen, onder andere een vriendelijke, oudere vrouw, die met etenswaren op weg was naar de begraafplaats. Even later kwamen we een begrafenisstoet tegen. De kist werd door een aantal mannen omhoog gedragen, gevolgd door de rest van de mensen met een paar grote bloemstukken.

We zagen het leven op het platteland van nabij. De kleine landjes worden meestal nog op primitieve wijze met de hand bewerkt. Hier en daar staan een paar koeien of lopen een paar schapen met een herder. De huisjes zijn heel eenvoudig: adobe muren met golfplaten daken. Sommige mensen wonen in kleine hutjes, winddicht gemaakt met stukken oude plastic. Er is electriciteit en een riool, hoewel niet alle huizen daarop aangesloten zullen zijn. Het stromende water is een klein, helder riviertje.

We ontbeten op een vaste plek, een jugueria (winkel gespecialiseerd in vruchtensap). Ik nam steeds combo 1: papas rellenadas (warme gevulde aardappel), broodjes, surtido (vruchtensap van banaan, aardbeien en papaya), koffie (heet water, waar je zelf koffie-extract uit een klein flesje bijschenkt). Dit alles voor minder dan een euro. In een pizzeria dronk ik voor het eerst Pisco Sour (brandy, limoensap, eiwit).

 

Twee dagen niet reizen en even echt vakantie in Chiclayo. Je went verrassend snel aan de plaats waar je bent.

We sliepen in misschien wel het beste hotel tot nu toe, hotel Sicán (continentaal ontbijt inclusief). Het weer in Chiclayo is vrijwel ideaal, zonnig, 20 tot 25 graden en een lekker briesje van zee. Voor ons is er goed vegetarisch eten bij Govinda, waar ze zelfs queque integral (volkoren cake) hebben. Tussen de middag aten we het dagmenu bij een restaurantje waar we al eerder waren geweest. Ze herkenden ons na twee weken meteen.

We reisden langs de kust terug naar het zuiden. Eerst naar Trujillo, met Linea (4 uur). Na het middageten wilden we met dezelfde maatschappij verder naar Chimbote. Het computersysteem werkte niet, dus werden de boekingen voor alle mensen per telefoon afgehandeld, behalve die van ons. De bus van twee uur was ineens “vol”. We moesten wachten tot drie uur. We werden dus eigenlijk gewoon in de steek gelaten. Geen nood, busmaatschappijen zat. We vertrokken een half uur later met el Sol een stukje verderop.

De eindbestemming, Chimbote (2 uur), is onveilig voor toeristen. We moesten dus óf doorreizen naar Casma, óf iets avontuurlijkers verzinnen. We zijn uitgestapt bij het plaatsje Santa, even voor Chimbote, en dat was een goede gok. De mensen waren erg vriendelijk voor ons. We worden wel een beetje bekeken, vooral door de kinderen (niet storend), want hier komen duidelijk geen toeristen.

We slapen in hostal Aries, helder rood en geel van kleur (uiteraard). Het is de goedkoopste slaapplaats tot nu toe (5 euro). Het is eenvoudig, maar schoon. De kippen lopen op het dak, wat ‘s-ochtends vroeg dan weer een nadeel is …

 

De zuidelijke route vanuit Tarapoto is gevaarlijk, zeker nu, na ongebruikelijk veel regenval. De overstromingen in die oostelijke regio waren een avond eerder op de Peruaanse televisie. We konden dus niet anders dan vanuit Pedro Ruiz terug reizen naar het westen.

Eerst reisden we met een colectivo naar Bagua Grande (ca. 65 km; 1,5 uur). Het kostte een uur langer, omdat we moesten wachten op een wegafsluiting. Een aantal bulldozers was bezig om de weg weer veilig en begaanbaar te maken na het instorten van een steile wand rechts van de weg. In Bagua Grande konden we gelijk verder met een andere colectivo naar Jaén (ca. 65 km; 1 uur). We vonden Jaén benauwd, stoffig en onrustig. Het belangrijkste stadsvervoer bestond uit honderden grommende mototaxi’s. Na het bekijken van een onwel riekend hotel, lieten we ons naar Movil Tours brengen, één van de betere busmaatschappijen in Peru. Eigenlijk met het idee om in de buurt te gaan slapen en de volgende dag door te reizen. We konden echter nog mee met de middagbus naar Chiclayo als we snel beslisten. Niets bindt ons, dus vijf minuten later waren we met onze kleine rugzakjes (32 en 35 liter) onderweg in een luxe bus met airco, wc, snacks, drankjes, kotszakjes en film (ca. zes uur). Vandaag dalen we zo’n 2000 meter af naar de kust van de Stille Oceaan.

Ik schrijf veel over het vervoer. Behalve tussen de grote steden is vervoer schaars. Zeker in kleine plaatsjes moeten we vaak wachten, soms uren. We zijn altijd weer blij als een paar vriendelijke mensen ons meenemen, in een propvolle auto, een kleine vrachtauto, achterop een pickup truck of op welke manier dan ook. Vervoer is dus een belangrijk onderdeel van onze reis. Ook wat betreft contact met de lokale bevolking. We hebben een hekel aan georganiseerde tours, omdat vaak veel te veel bezienswaardigheden in te weinig tijd worden bezocht, waardoor je eigenlijk de dingen maar oppervlakkig beleeft. Daarbij is het nu laagseizoen, waardoor er vaak te weinig mensen zijn om een tour door te laten gaan.

Na drie weken ervaar ik de bergen en de natuur van Peru nog steeds als groots. Een groot verschil met ons vlakke, overbevolkte Nederland. De gehele afgelopen week reisden we bijvoorbeeld stroomafwaarts lang de nu onstuimige rivier Rio Utcubamba. Er is hier nog zo ontzettend veel te zien en te ontdekken!

De meeste mensen zijn aardig en behulpzaam. Desondanks moeten we altijd behoedzaam zijn, bijvoorbeeld voor het “vergeten” van het teruggeven van het wisselgeld, waardoor een rit ineens 2,5 keer duurder zou worden. Onveilig hebben we ons tot nu toe gelukkig nog niet gevoeld. De mensen hier leven een praktisch, aards leven, in tegenstelling tot ons leven, dat meer uit (virtuele) ideeën bestaat.

Mobiel internet werkt hier meestal maar matig. Het is vaak langzaam en haperend. De dekking is slecht, wat gezien de geografische en economische omstandigheden te verwachten valt. Een eenvoudige GPRS-verbinding is bijna altijd stabieler dan een vier keer zo snelle EDGE-verbinding (in theorie tot één megabit per seconde). Met de Android applicatie Network Speed kan ik zien hoeveel verkeer er heen en weer gaat. Meestal is het enkele kilobytes per seconde, met af en toe pieken van 5-10 kb/s. Regelmatig komt er geen antwoord van het netwerk. We moeten in Nederland blij zijn met alle goede infrastructuur die we hebben.

 

Vandaag bezochten we Gocta. Afhankelijk van hoe er gemeten wordt, is dit de derde hoogste waterval van de wereld. De waterval bestaat uit twee delen. Het bovenste deel is 231 meter hoog, het onderste 540 meter. De waterval werd pas in 2002 “ontdekt” door een niet bijgelovige Duitser. De locals hebben de waterval lange tijd geheim gehouden, omdat ze geloofden dat ze vervloekt zouden worden door de meerminnen die onderaan de waterval zouden leven als ze over de waterval zouden vertellen.

Om de waterval te bereiken gingen we met een mototaxi naar het dorpje San Pablo de Valera (1900 m). In zo’n drie uur gingen we over een goed pad omhoog naar de bovenste waterval (ca. 2220 m). Het eerste gedeelte van het pad was open. We konden het dorpje Cocachimba en diverse watervallen aan de overkant zien. Het tweede deel van het pad ging door dichte begroeiing. Af en toe konden we de bovenste waterval tussen de bomen door al zien.

Aan het eind van het pad ervaar je pas hoe hoog de waterval is. Helemaal aan het einde is er nog een trap omhoog en als je wilt kun je zelfs onder de waterval komen en zwemmen in het koude water. Het water valt letterlijk maar beneden en verstuift gedeeltelijk, wat een mooi lichteffect in de zon geeft. Afhankelijk van hoe de wind staat wordt je een beetje of heel erg nat van de spetters.

Terug omlaag lopen naar het dorpje kostte een uur minder. Gelukkig was het half bewolkt. In het kleine dorpje wachtten we bij een vervallen adobe kerkje een poos op een colectivo, maar de enige colectivo van de middag vond dat er niet genoeg passagiers waren om weer naar beneden te rijden. We konden dus niet anders dan lopen naar de geasfalteerde weg beneden om verder te liften. Gelukkig kwam er ongeveer halverwege toch nog een auto naar beneden, die ons het laatste stuk naar de weg bracht. Daar hadden we geluk, want we mochten meteen achterop een gemotoriseerde bakfiets mee. De lading bestond uit caña (suikerriet) en paltas (avocado’s). Krap een half uur later waren we terug in Pedro Ruiz (ca. 16 km).

Omdat we de hele dag op een half broodje, een paar bananen (eigenlijk platanos, bakbananen) en een paar handjes ongebrande pindas hadden geleefd, gingen we meteen eten. Het restaurant schuin aan de overkant kan goed papas fritas (verse patat) maken. De patat is hier naar onze smaak vaak te bleek gebakken.

Zo’n beetje alle mannen van het dorp keken een internationale voetbalwedstrijd Chili – Peru, maar helaas: “da perdido” (geeft verlies). Net zoals in Nederland kun je duidelijk horen wanneer er gescoord wordt.

 

Met onze rugzakjes vertrokken we vroeg naar Karajia. In deze vallei is er een aantal 2,5 meter hoge sarcofagen van 1200 voor onze jaartelling. Ze bevinden zich 25 meter hoog in een verticale rotswand. Er liggen doodskoppen omheen. Beneden loop je langs de beenderen van mensen. In Peru kan dit gewoon.

We bereikten Karajia met een volle combi naar Luya en daarna met een colectivo naar Cruzpata. De motor van de personenwagen raakte oververhit, dus we moesten stoppen. De jongen die naast mij achterin zat, had verstand van auto’s en had zelfs gereedschap bij zich. Hij sloot de ventilator weer aan met een draad die de chauffeur kreeg van iemand in een adobe huisje naast de weg. Nadat de radiator weer gevuld was met een paar flessen water konden we verder.

Het laatste stuk, ongeveer een kilometer, maar wel 500 meter omlaag, wandelden we. Nadat we de plaats bewonderd hadden, aten we meegebracht broodjes met kaas en sardientjes. Daarna gingen we weer terug omhoog, een aardige klim. Ondanks de dreigende wolken bleef het droog.

In het dorp was er één colectivo, maar we moesten wel een poos geduld hebben tot er voldoende mensen waren om te vertrekken. Ondertussen onweerde het in de verte en regende het een paar spetters.

Terug in Luya kregen we het advies om te overnachten in Pedro Ruiz. Om daar te komen, gingen we eerst met een combi terug naar Chachapoyas en met een andere combi door naar Pedro Ruiz. We sliepen in de uitstekende hospedaje Amazonense, waar we het water van een rivier horen ruisen.

 

Het is fijn om weer even in een stad van enige betekenis te zijn. We hebben onze kleren laten wassen en weer eens wat anders gegeten als rijst met …

Veel gebouwen buiten de plaza zijn van adobe, sommige in slechte staat, zoals een kerk waar op de muren “peligro” (gevaar) geschilderd is. De meeste muren zijn voorzien van een pleisterlaag, die vaak loslaat en scheurt, omdat de ruwe adobe blokken een slechte onderlaag zijn. Adobe kan heel slecht tegen water, dus als het dak gaat lekken en er wordt niets aan gedaan, dan wordt het snel een bouwval. Overigens hangen de meeste daken ook over de stoepen. Handig op regenachtige dagen, zoals de afgelopen dagen (elke dag 20 mm).

Met een colectivo bezochten we het dorpje Huancas, niet zover van de stad. Er is een diepe canyon met beneden de ruisende rio Sonche. De Android application Andrometer schatte de diepte op 1180 meter, de locals zeggen 1500 meter. Aan de overkant zijn er drie opeenvolgende watervallen en in de verte nog één, half zichtbaar door de wolken die ervoor hangen. We wandelden terug naar het dorpje en we zagen een ouderwetse ossenwagen bezig met ploegen. Eigenlijk zou het stierenwagen moeten heten, want alles was nog compleet. Het adobe kerkje van het dorpje was bescheiden, maar sfeervol.

‘s-Middags beklommen we een cerro (hoogte, heuvel) om van het uitzicht op de stad te genieten. We moesten schuilen voor de regen.

‘s-Avonds probeerden we een Peruaanse wijn, die meer naar druiven met alcohol dan naar wijn smaakte.

 

We misten bijna het kleine dorpje el Tingo, want de bus stopte niet. Gelukkig weet mijn GPS elk plaatsje in Perú te vinden! We hoefden dus alleen maar een klein stukje terug te lopen langs de rivier. De wolken dreigden hun nattigheid los te laten, maar gelukkig bleef het droog.

Langs de weg waren een paar hospedajes, maar we kozen ervoor om naar het hoger gelegen Tingo Nuevo te gaan. De mensen beneden zeiden dat er boven geen hospedajes waren en dat er niets te koop was. Zoals ik verwachtte, was dat niet waar. Het dorpje bleek een groot, uitzonderlijk mooi park te hebben met thuja gesnoeid in allerlei vormen. Half rondom is er een wijds uitzicht op groene bergen, half in de nevelen gehuld. We konden de rivier beneden in het dal horen ruisen.

De hospedaje zonder naam was eenvoudig. We ontmoetten er een stel uit Australië dat met de fiets op weg was van Canada naar Patagonië. Ze hadden er 13 maanden voor uitgetrokken. Ik had de indruk dat ze veel fietsten en weinig bezienswaardigheden bezochtten en dat ze in een relatief rechte lijn van Noord naar Zuid reisden. Jammer, want er is zoveel te zien in Perú. Een mensenleven is niet genoeg om dit land te verkennen. Een archeoloog vertelde ons dat er nog 100.000 onontgonnen archeologische vindplaatsen zijn.

De volgende dag zou er om vijf uur ‘s-ochtends een combi naar Kuélap zijn. Omdat het stortregende zijn we in ons bed blijven liggen. Later in de ochtend werd het droog en probeerden we een lift te krijgen. We zaten op de grote watertank een stuk boven het dorp, zodat we het weinige verkeer goed in de gaten konden houden. Er gingen enkele uren voorbij, voordat we meekonden in een gewone personenwagen waar al zes mensen inzaten. Ik ging achterin opgevouwen tussen de bagage. Na een uur werden we drie kilometer voor Kuélap afgezet. We konden al heel snel met een andere auto mee, zodat we nog vroeg in de middag boven waren (ruim 3000 m). Na het kopen van de tickets moesten we nog een stukje verder omhoog lopen.

Kuélap is een nog relatief onbekende archeologische stad. Het is een ongelofelijk, sprookjesachtig bouwwerk, waarvoor drie keer meer stenen zijn gebruikt dan voor de grote pyramide bij Giza in Egypte. De stad is meer dan een kilometer lang. Het fort dat we bezochten, is 585 meter lang en 110 meter op zijn breedst. Het fort bevindt zich middenin de stad. De omringende muren zijn 8-17 meter hoog en zijn gemaakt van ca. 100.000 stenen tussen de 100 en 200 kilo. Het meeste is nog origineel. De bouw van de stad startte 500 jaar voor onze jaartelling.

De ronde stenen huizen binnen het fort liggen in een cloudforest (nat bos). Een paar koude druppels op je hoofd zijn dus onvermijdelijk. De bomen zitten vol met epifyten, waaronder grote rode bromelia’s. Sommige huizen hebben aan de buitenkant stenen figuren die de ogen van vogels voorstellen. Geschat wordt dat er op het hoogtepunt 3500 mensen in de stad woonden.

Voorlopig is dit één van de meest indrukwekkenste dingen die ik tijdens deze reis heb gezien.

Aan het einde van de dag gingen we te voet terug naar het dorp je Maria (ca. 7,5 km op ca. 2750 m). Na ongeveer een kilometer een mooi pad steil naar beneden te hebben gevolgd, kwamen we weer terug op de weg, waar we al snel een lift kregen op een grote pickup truck. We sliepen in hospedaje Cucha Cuella, waar tegen de verwachting in zelfs warm water was.

‘s-ochtends kregen we redelijk snel een lift naar Choctámal ongeveer halverwege naar beneden. Daar mochten we al heel snel meerijden met een kleine vrachtwagen naar de wat grotere stad Chachapoyas. De chauffeur Edwin, was zo aardig om te stoppen voor de Macro’s, nabij Magdalena, zodat we een paar foto’s konden maken. Het zijn stenen graagschuren hoog in een rotswand van de mysterieuze mensen van Kuélap, die wellicht afstammen van de Vikings.

 

In een volle combi reisden we in ongeveer drie uur over een pas van zo’n 3700 meter van de grote stad Cajamarca naar het kleine bergstadje Celendín (ca. 2700 m). De hobbelige, half verharde weg was mooi. We zagen kleine ezels, die vier ouderwetse melkbussen droegen en vingen een glimp op van het primitieve landelijke leven dat de mensen hier leiden.

We sliepen in de sfeervolle hospedaje Maxmar. De betonnen vloer was lang geleden geverfd en het weer had de houten balustrade al behoorlijk aangetast. De kussens van de krakende houten bedden waren gevuld met stro. ‘s-Nachts tikte de regen op het golfplaten dak.

De volgende ochtend reisden we met een vrijwel lege bus van empresa Movíl verder naar Leymebamba (zes uur). Na eerst omhoog gegaan te zijn, daalden we weer af om een rivier op ca. 1000 meter over te steken. Daarna gingen we een pas van 3600 meter over om tenslotte aan te komen in het kleine bergdorpje op ca. 2200 meter.

De weg was spectaculair, een attractie op zich. Je zou ook kunnen zeggen dat de weg de reis is. Als je hoogtevrees hebt, kun je hier beter niet reizen. Een groot gedeelte van de weg kijk je minstens enkele honderden meters recht naar beneden. De vele haarspeldbochten laten je haren recht omhoog staan. Hier en daar is een stukje weg naar lager gelegen delen verhuisd. Hetzelfde was recent gebeurd met een kleine vrachtwagen die een bocht had gemist …

Bovenop de bergen gingen we dwars door de wolken (“zona neblina”). De wolkenpartijen waren door het regenachtige weer enorm.

De natuur is zeer afwisselend, van mooie glooiende groene weiden tot kale rotsen begroeid met enorme cactussen, tot berghellingen begroeid met kleine bomen die op hun beurt weer begroeid zijn met lange epifyten. Waar dat mogelijk is, zijn er kleine plantages, soms op bijna onmogelijke hellingen van meer dan 45 graden.

We mochten naast de chauffeur zitten, waar de grootsheid van de bergen nog meer op je af komt. De Andes wordt niet voor niets één van de mooiste bergketens van de wereld genoemd. De Zwitserse bergen zijn hier maar een miniatuur versie van.

De bus reist dagelijks van Cajamarca naar Chachapoyas, een reis van zo’n 12 uur. Om deze reden zijn er twee chauffeurs. Aangezien we geen haast hebben en er overal wat te zien is, gaan wij deze weg in gedeelten reizen.

We overnachten in hospedaje la Petaca, met aan de overkant van de plaza een kerk met twee ruwe stenen torens en een bizarre elektronische Big Ben klok, die ‘slaat’ van zes uur ‘s-ochtends tot negen uur ‘s-avonds. We aten heerlijke trucha frita (gefrituurde forel) in een restaurantje enige huizen verderop. Ik dronk er voor deze ene keer Inca Kola bij. Het smaakt een beetje naar ouderwetse kauwgomballen. Het is geel gekleurd met de discutabele kleurstof tartrazine. Er zit ook cafeïne in, dus dat wordt een opgewekt dagje!

Voor degenen die op zoek zijn naar een eenvoudig leven tussen aardige, niet gehaaste mensen met schone berglucht: een huis kun je hier voor 25 euro per maand huren.

De volgende dag liepen we langs de rivier (rio Utcubamba), waarvan het bruine water volgens mij rechtstreeks uit de kraan komt. We zagen een aantal adelaars boven de rivier circelen. Na de lunch gaan we met de bus mee naar el Tingo (ca. een uur), dit keer met empresa Virgen del Carmen.

 

Na het middageten in Cajamarca gingen we naar Los Baños del Inca, de plaats waar Atahualpa zijn etterende oorlogswonden verzorgde met het hete water (> 70 graden). Ik verwachtte een collectief open bad, maar iedereen krijgt zijn eigen badkamertje, waar je zelf het stomende hete water kunt mengen met koud water. Wij kozen type “Humboldt“, de meest luxe. Het was lekker ontspannend!

 

Vanuit Cajamarca deden we een uitstapje naar Las Ventanillas de Otusco (de “raampjes” van Otusco), zo’n 10 km verderop. Hier zijn 337 in de rotsen uitgehakte nissen. Waarschijnlijk is het een begraafplaats (1130 voor – 1240 na onze jaartelling). Bovenop is er een mooi uitzicht op groene weiden met ‘zwitserse’ koeien (die in Nederland zien er precies hetzelfde uit). Er staan veel manshoge aloë vera‘s en andere cactussen. Sommige mensen hebben hun naam in de grote bladeren van de aloë vera gekrast.

In de omgeving zagen we een man en een vrouw hangmatten weven van schapenwol. Één hangmat is acht dagen werk! Het is hun enige inkomen, ca 2,50 euro per dag per persoon. Ze kunnen nu een dagje vrijnemen …

Op de terugweg zaten we even opgesloten in een gammele combi, want de deur ging niet meer open. De weg terug was afgesloten, dus het volle minibusje moest over half verharde, modderige weggetjes terug naar de stad, niet erg aangenaam.

 

De busreis van Chiclayo aan de kust naar Cajamarca (ca. 2700 m) duurde zes uur, iets langer dan gepland door een klapband. Het laatste stuk was over een bochtige weg door de bergen met mooie vergezichten. Na zo’n 10 dagen langs de droge kust gereisd te hebben, is het fijn om in de groenere bergen te zijn. Het klimaat van het kustgebied is dat van een perfecte woestijn. Alleen waar de rivieren uit de bergen komen, daar waar de steden zijn, is het weldadig groen.

We sliepen de eerste nacht in het schone hotel Olimpo bij de busstations, maar we verhuisden de volgende dag naar het centraler gelegen hospedaje Chota. We blijven hier even om aan de hoogte te wennen, want wellicht moeten we later nog veel hoger slapen. Af en toe heb ik hier nog een hapje lucht extra nodig.

Cajamarca is een aangename stad om te verblijven. Het is een soort Cuzco, maar dan zonder al de toeristen en de daarop ingestelde verkopers. De mensen zijn aardig en er is weinig criminaliteit. Sommige mannen en vrouwen hebben brede, hoge hoeden op, een leuk gezicht. Aan de ruime Plaza de Armas (centrale plein) staan een grote kathedraal en een kerk, San Francisco, die ‘s-avonds sfeervol verlicht zijn. Het plein zelf bestaat uit een net plantsoen en betonnen bankjes, omringd door koloniale gebouwen met houten balkons en sierlijke lampen. Hier is Atahualpa geëxecuteerd. Hier aten we ook ons ontbijt, vers gebakken broodjes en de ‘zwitserse’ kaas waar de stad om bekend staat.

Tussen de middag regende het flink. Overdag is de temperatuur heel aangenaam, maar ‘s-avonds is het wat koeler.

We bezochten een markt waar een vrouw bezig was om met een grote bijl een been van een koe te splijten. We dronken té canela y clavo (thee met kaneel en kruidnagel) met een stuk queque (cake, hier altijd zelfgemaakt). Tussen de middag aten we voor een euro per persoon in een lokaal restaurantje gebakken vis, waar iedereen wat langer bleef zitten vanwege de regen. Het was heel sfeervol en gezellig. Omdat we toch even rustig aan doen, ben ik naar de kapper geweest voor slechts één euro. ‘s-Avonds hebben we onszelf verwend met een pizza in de drukke pizzera tegenover de lege, aanbevolen pizzeria la Vaca Loca (de gekke koe).

 

In het dorpje Magdalena de Cao was niet zoveel te beleven, daarom reisden we door naar de grotere stad Chiclayo (totaal ca. 3 uur). De bus die langs de Pan Americana in Chocope stopte vroeg teveel geld. Door simpelweg te wachten met instappen ging de prijs met 50% omlaag. Er zijn hier maar weinig dingen waar de prijs van vaststaat. Over de prijs van een hotel heb ik ook al diverse malen onderhandeld. Ik ben niet uit op de laagste prijs, maar wel op een normale prijs. De mensen zijn hier arm, ongeveer 5% van de mensen leeft op het randje van het bestaan en ongeveer 40% van de mensen leeft onder de armoedegrens. Vaak geef ik daarom achteraf toch de gevraagde prijs of leuke fooi. Een paar dagen geleden betaalde ik de busrit van een oude, tandeloze man naast mij. Hij zat letterlijk de weinige centjes die hij had te tellen om de bus te betalen. Hij was echt heel erg blij. Volgens de Peruanen is de economie in Peru gestabiliseerd. Er is hier geen financiële crisis of, zoals mijn aardrijkskunde leraar ooit over de Sovjet Unie zei, er is hier altijd crisis. Voor het idee: we geven hier samen ongeveer 25-30 euro per dag uit.

We slapen in hotel Pyramide Real. De kwaliteit van de voorzieningen voor de toeristen en de wat rijkere Peruanen zijn sinds wij hier samen meer dan 10 jaar geleden waren enorm vooruit gegaan. De bussen zijn vaak modern, schoon en voorzien van video. Voor een klein beetje meer geld kun je in lange afstand bussen zelfs een bed krijgen (de afstanden zijn hier groot en anders is de reistijd wel lang). De goedkopere hotels waar we tot nu toe in hebben geslapen zijn allemaal heel netjes. Geen stoffige kamers met doorhangende bedden en vuile lakens meer (hoewel die er in het allergoedkoopste segment best zullen zijn).

Chiclayo is een grote, maar gemoedelijke handelsstad voor landbouwproducten en producten uit het Amazone gebied. Het is hier weer wat warmer, want we zijn weer een stukje dichterbij de evenaar gekomen (die ligt in Ecuador ten noorden van Peru). ‘s-Ochtends is het nog wel mistig, maar in de loop van de ochtend breekt de zon door en wordt het lekker warm.

We bezochten de grote Mercado Modelo (één van de grote, levendige markten). Ook hier is de vooruitgang goed te zien. Je kunt hier alles kopen wat je voor je huishouding nodig hebt en nog heel veel meer. De groenten worden aangeprijsd met een kleine omroepinstallatie. We zagen meloentjes van slechts twee vuisten groot en een jongen met een kruiwagen vol met bananen voorbij komen. Ook zagen we één curandero bezig met het mengen van … geen idee. Ik vermoed dat er hier niet zoveel meer van deze genezers zijn en dat de mensen eerder naar één van de vele farmacias (apotheken) gaan. De volgende dag ontdekten we nog een gangetje in de overdekte markt met de waren van/voor curanderos. Een gedeelte van de waren zijn potjes uit moderne fabrieken.

‘s-Avonds aten we heerlijk vegetarisch in het Hare Krisna restaurant Govinda. Weer eens wat anders dan rijst met bonen, hoewel ik ‘s-middags gefrituurde vis met rijst en dikke erwtensoep at, ook eens wat anders ;-) Dat is de reden dat we steeds op zoek zijn naar menu (van de dag). Het is steeds een verrassing wat je krijgt, maar het is vrijwel altijd goed en heel goedkoop. Je kunt meestal kiezen uit een aantal voor- en hoofdgerechten en er zit vrijwel altijd een zelfgemaakt drankje bij. De mensen zijn bijna altijd blij dat je komt, want ze moeten er van leven.

De volgende dag bezochten we met een colectivo het stadje Lambayeque, vooral bekend om zijn musea en houten balkons. We bezochten museo de las Tumbas Reales de Sipán. Er is een enorme collectie met prachtig aardewerk in allerlei wonderlijke vormen, koralen halskettingen, vele koperen, zilveren en goude sieraden en ceremoniale voorwerpen en een paar halfvergane skeletten. Deze schatten zijn gevonden in de dertien tombes van de piramide tempel Sipán. Het museum was donker en de voorwerpen goed verlicht. Ook hingen overal foto’s van de verschillende stadia van de opgravingen. Het museum zelf bestaat uit drie verdiepingen en is piramide-vormig. Het is zonder meer een prachtig museum.

We zagen het waarschijnlijk langste koloniale balkon van Zuid-Amerika van Casa de la Logia o Montjoy (64 meter). Op ons maakte het geen grote indruk, omdat we al zoveel koloniale steden hebben gezien.

Voor de afwisseling reizen we morgen door naar Cajamarca in de Andes.

 

Na een eenvoudig ontbijt reisden we via Chocope naar Magdalena de Cao. Naar het laatste dorpje op een klein zitplaatsje in een combi over een hobbelige onverharde weg tussen het suikerriet door. Na het regelen van een kamer in het enige hotel van het dorpje, hotel Jobalu, lieten we ons met een mototaxi naar El Brujo brengen.

Eigelijk is dat onjuist, omdat de half gespleten heuvel met de naam El Brujo een stuk verderop is. Deze heuvel staat bekend als een krachtplek waar curanderos (genezers) hun werk deden (doen?). Helaas is het niet veilig om als toerist deze plaats te bezoeken.

De tempel (200-800 na onze jaartelling) was dit keer gelukkig, uit principe, niet gerestaureerd. De kleurrijke decoraties op vier verschillende niveau’s zijn bijzonder mooi. In de tempel is een mummie van een eens machtige vrouw gevonden, la Señora de Cao. Ze werd ongeveer 20-25 jaar, was ongeveer 1 meter 45 en op haar armen getatoeëerd. Op één of andere manier waren haar beenderen opgelost. Op de tempel werden mensen geofferd, als er bijvoorbeeld een natuurramp was gebeurd. Ze werden verdoofd met mescaline, gewonnen uit cactussen.

Het bijbehorende museum is zonder meer het mooiste dat we tot nu toe gezien hebben. Een complete verrassing, omdat we dat helemaal niet verwachtten. Het keramiek was bijzonder mooi van kwaliteit en vorm en in de laatste ruimte was al het koper, zilver en goud verzameld. Helemaal achterin konden we de mummie zien, uit respect half bedekt.

El Brujo wordt beschouwd als één van de belangrijkste vondsten van de Noordelijke kust, maar ik weet haast wel zeker dat er nog iets belangrijkers ontdekt gaat worden. Peru is niet alleen een heel groot land, maar archeologisch vrijwel onontgonnen. Ik ben bijvoorbeeld benieuwd wat er allemaal gevonden gaat worden als Huaca del Sol wordt opgegraven.

 

Vandaag bezochten we met het openbaar vervoer, combi’s (< 15 personen), micro’s (> 25 personen) en bussen, de belangrijkste bezienswaardigheden in en rond Trujillo, de stad van de eeuwige lente. Er is hier veel vervoer en als je een beetje Spaans spreekt, kun je overal voor een paar centjes komen (een rit, kort of lang, kost ongeveer een 25 cent). De stad is sinds ik er zes jaar geleden was heel veel drukker geworden.

We begonnen vroeg met Chan-Chan, de grootste adobe-stad van de wereld. Het is naar mijn smaak teveel gerestaureerd, maar desondanks zeer indrukwekkend. De omringende muren waren 10-12 meter hoog. Het geheel is 303 bij 444 meter en bestaat uit verschillende delen met verschillende, meest religieuze, functies. Het nabij gelegen museum, 1500 meter te voet) toont een kleine verzameling potten in allerlei leuke vormen en diverse andere interessante voorwerpen. Een gedeelte van het museum was helaas gesloten.

Ook bezochten we het minder interessante Huaca la Esmeralda middenin een woonwijk. Nadat we heerlijk hadden gegeten, vissoep en gebakken vis met als drank maracuya-sap (passiefruit), bezochten we het wat interessantere Huaca Arco Iris / Dragon, de tempel van regenboog / draak (1000-1470 na onze jaartelling). De gegraveerde figuren op de adobe muren zijn hier goed bewaard gebleven.

Als laatste bezochten we Huaca de la Luna (de tempel van de maan). De afbeeldingen op de adobe muren zijn nog in zeer goede staat, omdat ze lange tijd bedekt zijn geweest. Deze enorme tempel bestaat uit verschillende lagen die door verschillende generaties zijn gebouwd.

Een stukje verderop is Huaca del Sol, de grootste constructie ooit gemaakt in beide America’s. Er zijn daar nog geen opgravingen gedaan, dus wie weet wat er nog tevoorschijn gaat komen. Sinds ik zes jaar geleden Huaca de la Luna bezocht, is een heel nieuw, bijzonder mooi gedeelte opgegraven!

‘s-Avonds aten we voor de verandering bij een Chifa (Chinees) rijst en ommelet met groenten.

Mijn GPS (bedankt Khaled!) met een zeer gedetaileerde kaart van Peru, gemaakt door vrijwilligers (er is geen officiele elektronische kaart), maakt het ons makkelijk om wat te vinden of de weg terug te vinden.

De hostel, Casa Clara, was heel geschikt om de was te doen. Er was een grote wasbak, een teil, een groot stuk zeep en waslijnen in de zon en wind.

 

Op de  Mercado (markt) aten we al vroeg een klein broodje ei en dronken we thee, canela y clavo (kaneel en kruidnagel), zoals hier gebruikelijk is.

Met ons favoriete transportmiddel, een mototaxi, gingen we van Casma naar Sechín, één van de belangrijkste ruïnes langs de noordelijke kust. Het is een grote vierkante tempel en het bijzondere is, dat de grote stenen rondom gegraveerd zijn met de figuren van zo’n 500 strijders. Tussen de strijders zijn afbeeldingen van afgehakte hoofden, armen, rompen, oren, ogen, etc, waar het bloed afdruipt (geen kleuren). De functie is, zoals zo vaak, onbekend. De binnenste adobe delen dateren van 1600 voor onze jaartelling.

Aardig is dat er rondom een pad met trappen is gemaakt, zodat je de ruïnes van bovenaf vanuit diverse hoeken kunt zien. Het bijbehorende museum heeft maar een kleine collectie, die echter wel de moeite waard is. De wat oudere meneer van het museum gaf met enthousiasme uitleg. Buiten waren er drie hondjes van de soort die nauwelijks haren heeft en met een lichaamstemperatuur van 40 graden (viringo). Om deze soort te beschermen zijn bepaalde soorten musea in Peru verplicht enkele van deze honden te hebben.

Terug in Casma aten we weer een groenteschotel met lekkere rijst in hetzelfde familierestaurantje. Ik had broccoli en Hanneke Sicua (we weten nog niet precies wat het is). Uiteraard was er een groot bord voedzame soep vooraf. We kregen ook weer refreco de cebada, die nog lekkerder dan gisteren was!

Met een colectivo gingen we over een stuk van de Pan Américana naar Chimbote (45 min). Gelukkig zaten we voorin, want het uitzicht op de half met zand bedekte kale, grijze bergen was bijzonder mooi. Chimbote is de ‘geurigste’ stad van het land, want hier worden grote hoeveelheden vis verwerkt. Op dit moment zitten we in de bus naar Trujillo (ca. 2,5 uur). Hanneke kijkt film (gebruikelijk in de lange afstandbussen en altijd beter dan steeds dezelfde veel te luide muziek).

 

Nadat we bij de panaderia (bakker) wat gegeten hadden, gingen we in 10 minuten met een mototaxi naar La Fortaleza de Paramonga, het fort. Onze rugzakjes lieten we bij de bakker achter (!). We roken de geur van bruine suiker van het suikerriet dat bij de enige, grote, stomende fabriek lag te drogen.

La Fortaleza ziet eruit als een fort, maar het is een tempel gebouwd op een hele grote zandheuvel. Het is gemaakt van adobe en het is nog in goede staat, omdat het hier nauwelijks regent. Op sommige plekken is nog de rode kleur van muurschilderingen te zien. Van bovenaf heeft het de vorm van een llama. De tempel is ca. 800 na Christus gebouwd door hetzelfde volk dat Chan Chan nabij Trujillo bouwde (Chimú). Er is een mooi uitzicht op de ruwe zee en het stadje Paramonga. Bijzonder was dat er een aantal adelaars dichtbij overvloog. Geen massa-toerisme hier, we waren de enigen.

We aten nog een keer de beste ceviche van de stad, samen met Gisela. Na het afscheid gingen we met een colectivo naar Pativilca (van hieruit is het mogelijk om met een colectivo in drie uur naar Huaraz te reizen). Een aardige, extraverte man hielp ons met de bus naar Casma (ca. 2,5 uur over de Pan-Américana).

We slapen in het prima hostel Monte Carlo. Ik at Caigua, een fruitsoort die als groente wordt gebruikt en allerlei genezende eigenschappen zou hebben. We dronken refresco cebada, een soort frisdrank gemaakt van gerst, lekker!

© 2005-2012 by Marcel Suffusion theme by Sayontan Sinha