Terug naar Lima

 2013 Perú, Reizen  Comments Off
Nov 032013
 

De reis van Tarma naar Lima duurde dubbel zo lang als gepland. Normaal gesproken kan deze afstand in 5-6 uur worden afgelegd, maar wij deden er door een lange file, waarschijnlijk veroorzaakt door een ongeluk en een defect aan de bus, zo’n 10 uur over.

Moe kwamen we ‘s avonds laat aan in Lima. Gelukkig vonden we snel een taxi naar het centrum en was er nog een goede kamer in hostal Roma (zelfs dezelfde kamer als waar we in het begin verbleven).

Nov 032013
 

Tarma (3050 m) is een mooi, klein plaatsje dat klem ligt in een kleine vallei. De mensen zijn vriendelijk, maar veel is er niet te doen. Vanuit het drukkere Huancayo is Tarma gemakkelijk bereikbaar in ca. twee uur met een mini-busje. We hadden geluk, want wij waren de laatste twee passagiers waarop gewacht werd.

Toen we aankwamen, waren de mensen bezig om op straat met koffiedrab en bloemblaadjes grote figuren voor de aanstaande processie te maken. Om de vergankelijkheid extra te benadrukken, werd alles met takkenbezems direct achter de processie opgeruimd. De soms erg oude mannen konden de draagbaar nauwelijks dragen.

We sliepen in hospedaje Central met krakende houten vloeren in aangename bedden. Er zaten veel scheuren in de muren en het plafond, wellicht van aardbevingen. Als we wilden douchen, dan moesten we dat aangegeven en stak iemand de gasgeiser aan.

Ziek onderweg

 2013 Perú, Reizen  Comments Off
Nov 012013
 

Onderweg naar Lircay werd ik behoorlijk ziek. Geen idee wat er precies aan de hand was. Wellicht een combinatie van een zware verkoudheid, slecht eten en de hoogte. Er is altijd een risico dat je ziek wordt in dit soort omstandigheden en het is niet de eerste keer dat mij dit overkomt. Reizen in Peru is een mooie belevenis, maar soms ook een belasting.

Aangezien Lircay, overigens een leuk authentiek stadje, geen goede hotels had, reisden we na twee nachten door naar Huancavelica (3680 m). We sliepen in hospedaje La Portada, waar het warme water slechts lauw was. Hanneke wist een heerlijke, vegetarische afhaalpizza te scoren! De maximumtemperatuur in Huancavelica was echter maar zo’n 6 á 7 graden, dus we besloten de volgende dag door te reizen naar het beter gesitueerde Huancayo (3259 m), waar de maximumtemperatuur zo’n 20-25 graden was. Heel wat aangenamer als je ziek bent! We overnachtten in hostal Flores in de grootste kamer tot nog toe. Na twee nachten voelde ik mij gelukkig weer sterk genoeg om wat te ondernemen. Gelukkig heeft Hanneke zich goed vermaakt, hoewel ze het niet zo gezellig vond om alleen te eten.

De elektrische douche ‘ontplofte’ met grote vonken de tweede ochtend. Dat heb je als je veel te dunne draden gebruikt en ze met een plakbandje aan elkaar zet. Geen nood, we konden gewoon douchen in een andere kamer.

Huancayo is een grote stad (350.000 inwoners) in een grote, vruchtbare vallei met veel ruimte. Ondanks zijn grootte heeft het een wat dorpse uitstraling, bijvoorbeeld door de vele landbouwproducten die hier verhandeld worden.

Oct 272013
 

We verlieten Ayacucho met een volgeladen oud minibusje. Het was ongelofelijk wat de mensen allemaal meenamen! Een kist met mandarijnen, grote struiken selderij, balen rijst, eieren, etc. Langzaam gingen we over een onverhard bergweggetje, eerst naar het dorpje Julcamarca, daarna naar het dorpje Secclla. Hier komen absoluut geen toeristen en we werden dan ook voortdurend aangestaard. De reis naar Secclla duurde ongeveer drie uur.

In Secclla was er een kleurrijke groentenmarkt. We aten gebakken forel in een eenvoudig restaurantje. De servetjes zijn hier van wc-papier. We overwogen nog om in dit dorpje te slapen, in een klein adobegebouwtje op een binnenplaatsje. Hoewel het romantisch en primitief was (klein, een scheve, gammele trap naar boven, doorgezakte bedden, geen water en geen elektriciteit), besloten we toch om door de reizen naar het wat grotere stadje Lircay.

We moesten even wachten, maar we konden al snel mee met een ‘carro’, een oude, gammele personenauto, bedoeld voor vervoer van mensen, inclusief chauffeur zes stuks. De tank werd gevuld met een gieter. De ramen waren letterlijk handbediend.

De weg was bijzonder mooi en vrij hoog, meer dan 4500 meter. Onderweg passeerden we kleine adobe huisjes met een glimmend golfplaten dak, soms ‘bevestigd’ met oude autobanden. Vaak zijn de huizen hier alleen aan de voorkant gepleisterd en geverfd. Hier is nauwelijks prikkeldraad. De landafscheidingen zijn meestal van gestapelde stenen muurtjes. De eigenaar markeert zijn llama’s met verschillende kleuren wollen lintjes in de beide oren van de llama’s, een leuk gezicht.

Vooral door het wat regenachtige weer waren de zwart-grijze bergen wat somber, wat nog werd benadrukt door het ontbreken van bomen. Alleen het gele gras bracht wat kleur. We meanderden omhoog en omlaag, vaak langs een klein riviertje. Het was één van de weinige keren dat de rit korter duurde dan gezegd: 2,5 uur i.p.v. 3 uur.

In Lircay (3278 m) sliepen we in het eenvoudige hostal Paraiso (paradijs, maar dan wel met een gemeenschappelijke wc/douche met koud water). Er was een mooie houten vloer en voor de verandering waren de muren terracottakleurig geverfd. We werden ontvangen door een manke, oude man, dus we moesten even geduld hebben voordat er wat gebeurde. Als je keuze hebt uit een stuk of drie overnachtingsplekken, dan wacht je wel even. Het tijdsbesef is hier sowieso anders. Er wordt geteld in uren en we horen regelmatig ‘ahorita’, wat zoiets als ‘nu’ betekent, maar net zo goed over een half uur kan zijn.

Hectisch Ayacucho

 2013 Perú, Reizen  Comments Off
Oct 232013
 

We reisden in een drukke bus van Pisac terug naar Cusco (ca. een uur). De luidsprekerboxjes waren van inmiddels ingevallen kartonnen doosjes gemaakt.

De bus van Cusco naar Abancay (2378 m) ging later weg dan beloofd en deed er ook langer over dan beloofd: 5 uur. Het was een onaangename bus, want het was veel te warm, de muziek was veel te hard en eindeloos en bovendien slingerde de bus erg. Op de bochtige wegen door het centrale Andes-gebergte is dat dan ook vragen om reisziekte. De plastic zakken hingen al klaar …

We overnachtten in het wat luxere en brandschone hotel Imperial. ‘s Avonds aten we een heerlijke pizza, wederom uit een houtgestookte steenoven. In eerste instantie bij kaarslicht, want de stroom was uitgevallen.

De volgende dag reisden we met een vrijwel nieuw minibusje naar Andahuaylas (2926 m). De competitie tussen de verschillende maatschappijen in het busstation was groot. Het is goed opletten of er niet gelogen wordt over de vertrektijden en reisduur. We reisden met Eco tour. De busjes van de andere maatschappijen vertrokken ‘later’, vanwege een ingestorte weg. Eco tour was blijkbaar de enige maatschappij die een omweg, via een klein, onverhard bergweggetje, wist te vinden. Voor ons leuk, want er waren mooie uitzichten en kleine dorpjes. Overal hing de geur van eucalyptusbomen en aangezien hier het voorjaar begonnen is, waren er ook veel bloesems.

In Andahuaylas vonden we al snel een fijn hotel met de naam Delicias. Opvallend is hoe vriendelijk de mensen hier zijn, vergeleken met Abancay. We aten later in de middag een ‘tortilla’ met groenten in een restaurant dat gevestigd is op een overdekte binnenplaats. Het ging hard regenen, maar de zon bleef lange tijd schijnen, wat een mooi plaatje van de plaza de Armas opleverde. We zagen een mooie optocht met leuk geïmproviseerde draken. We bezochten de kleurrijke marktbuurt, waar we veel foto’s namen.

De volgende dag reisden we door naar Ayacucho. We gingen over meerdere bergpassen van meer dan 4000 meter hoog, over een nieuw aangelegde weg, soms door de wolken. We zaten voorin een goed minibusje, dus we hadden een geweldig uitzicht. Respect voor de ingenieurs die deze weg ontwierpen en respect voor de duizenden arbeiders die dag in dag uit aan deze weg hebben gewerkt en nog steeds werken.

Ayacucho (2761 m) viel ten opzichte van de herinnering die we hadden van twaalf jaar geleden behoorlijk tegen. De romantische stad is veranderd in een hectische stad, waar meer telefoonwinkeltjes dan andere winkeltjes lijken te zijn. Alleen in de hogere delen van de stad kun je nog ontsnappen aan de uitlaatgassen. De winkeltjes met ‘retablos’ (miniatuur kijkdoosjes met christelijke taferelen) konden we haast niet meer terugvinden. Het lijkt erop dat dit stuk cultuur aan het verdwijnen is.

We sliepen twee nachten in het goede hotel Samary in een kamer achterin het hotel, zodat we niet zo’n last hadden van het lawaai van de straat.

De markt was gelukkig nog wel leuk om te bezoeken en we genoten ook erg van het luxere eten in restaurant Via Via, met ‘s avonds een prachtig uitzicht op de plaza Mayor. Extra sfeervol door een onweersbui.

Oct 232013
 

De busreis van Cusco naar Pisac (Pisaq; 2970 m) in de Valle Sagrado (heilige vallei) duurde slechts een klein uurtje.

We vonden al snel een goed onderkomen in hospedaje Samana Wasi. Het was een ruime kamer die aangenaam naar cederhout rook.

We bezochten het kleine museo comunitario de Pisac, dat een aardig beeld van de gebruiken en de omgeving gaf. Er was een aantal kleine mummies.

Na een hapje eten, soep, bonen, rijst en een gebakken ei, namen we een taxi naar de citadel van Pisac (ca. 3500 m). De grote citadel ligt hoog boven een vruchtbare vallei, dus er zijn prachtige uitzichten. Ver beneden is rio Vilcanota/Urubamba. Er zijn uitgestrekte landbouwterrassen en veel vervallen bouwwerken. Ongeveer halverwege is Intihuatana met de Templo del Sol/de la Luna (tempel van de zon/maan). Het kostte ons een hele middag om alles te bekijken en over eindeloze trappen af te dalen naar het stadje, ruim 500 meter lager. Als je hoogte/dieptevrees hebt of zwakke knieën kun je dit beter niet doen, maar ik had dit niet willen missen!

We hadden geluk met het bewolkte weer. De temperatuur in Pisac is aangenamer dan in het koelere Cusco.

Aan het einde van de dag liepen we nog over de beroemde markt. Als je op zoek bent naar een trui, handschoenen of een muts, of naar edelstenen of naar een tas, dan kun je hier je hart ophalen.

Cusco en omgeving

 2013 Perú, Reizen  Comments Off
Oct 212013
 

Het was een lange, maar comfortable reis van Puno naar Cusco (8 uur). De weg was goed en er waren geen hele grote hoogteverschillen. We zaten boven voorin de dubbeldeksbus, dus we hadden een geweldig uitzicht. De bus liep bij twee controleposten vertraging op, omdat een vrouw geen DNI (Documento National de Identidad) had. Niettemin mocht ze toch steeds met de bus mee. Naarmate we dichterbij Cusco kwamen werd het landschap groener. Er waren veel eucalyptusbomen, een gedeelte aangeplant.

We aten eerst een lekkere, kleine pizza uit een houtgestookte steenoven. Een kleine pizza wordt hier ‘personal’ genoemd (groter zijn ‘mediana’ en ‘familiar’).

We vonden onderdak in het aangename Yuri’s house hostal. Voor de verandering zijn de muren geel geverfd, maar de tegels zijn, zoals vaker, rood. De elektrische douche was hier zelfs 5500 watt! We waren net binnen toen het ging regenen. Gezellig tikten de druppels tegen het golfplaten dak. Vanuit de gemeenschappelijke keuken is er een mooi uitzicht over Cusco (3399 m). Veel latino’s, meest uit Argentinië, overnachten hier. Westerse toeristen hebben we in de hostal niet gezien.

De volgende dag bezochten we achtereenvolgens Tambo Machay, Puca Pucara, templo de la Luna (de tempel van de maan), Qenko en Sacsayhuaman. We lieten ons door een bus afzetten bij de hoogste Inca-ruïne en liepen over de weg en door de velden langs de andere ruïnes terug, aan het eind over een trap naar het lagergelegen Cusco.

Tambo Machay was een badplaats van de Inca’s (tempel van het water). Het is niet groot. Het water stroomt er nog steeds. Puca Pucara betekent rood fort. Het vervallen fort heeft een mooi uitzicht op de vallei met op de achtergrond groene bergen. We kochten brood, kaas en een banaan als middageten in het gehuchtje Wayllarqacha. El templo de la Luna staat niet in onze reisgids. We werden de weg gewezen door een aardige Peruaan. Het is een hoge rots met grote trappen en er zijn diverse spleten en grotten. Één van de grotten is een heilige plaats en mocht niet met schoenen worden betreden. Met een donkere regenlucht boven ons vervolgden we de weg naar Qenko. Q’enko betekent labyrint of zigzag en had een religieuze functie. De spekstenen rots is op diverse manieren bewerkt. Het lager gelegen deel heeft een tunnel met diverse nissen en spleten. Als laatste bezochten we het grootse Sacsayhuaman (“sexy woman”). Cusco is door de Inca’s in de vorm van een poema gebouwd en Sacsayhuaman vormt het hoofd van de poema. Het is een 600 meter lange, zigzaggende verdedigingsmuur met grote, kunstig gestapelde stenen en enige tempels. In juni is er het zonnefeest Inti Raymi.

De dag erna bezochten we museo de Arte Contemporáneo (officieel op zondag niet open) en museo Histórico Regional y Casa Garcilaso (één van de weinige musea die op zondag open zijn). Het kunstmuseum had een paar aardige werken, maar het historische museum had naar mijn smaak veel te veel religieuze werken.

Tussen de middag aten we in de Mercade Central, de centrale markt. Het was lekker, maar erg hygiënisch werd er niet met de borden, glazen en eten omgegaan. Daarna dwaalden we met plezier door de gezellige marktbuurt. We kochten een paar kleine dingetjes, Hanneke liet de batterij van haar horloge vervangen en we kochten een ons vers grofgemalen koffie uit Quillabamba, die goed bleek te smaken.

Ik ben tweemaal eerder in Cusco geweest. Cusco is in de loop van de jaren erg toeristisch geworden. Het Boleto Turístico General is daar een voorbeeld van. Zonder dit voor Peruaanse begrippen dure ticket (ca. 35 euro) kun je in Cusco en omgeving, inclusief Pisac, weinig ondernemen. Ter vergelijk: elders in Peru zijn de toegangsprijzen omgerekend ca. € 2,50. Laten we hopen dat het geld bij de juiste mensen terechtkomt.

De meest voorkomende muzieksoort in Peru is de ritmische ‘huayno’. Deze dansmuziek hoor je overal. Deze muzieksoort stamt nog uit de tijd van voor de Spaanse bezetting (om het netjes te zeggen).

Het Titicaca-meer

 2013 Perú, Reizen  Comments Off
Oct 182013
 

Vanuit Andagua was het een hele reis naar Puno. Eerst naar Aplao (7 uur, hemelsbreed slechts 65 km!), waar we sliepen. De volgende dag door naar Arequipa (3,5 uur), waar we eveneens sliepen. Tenslotte naar Puno (6,5 uur, ruim 300 km).

Terug naar Aplao zag ik vicuñas en vizcachas. Het laatste deel van de reis was in het donker. Geen fijn idee, want op de heenweg hebben we gezien hoe smal en hoe hoog de slechte weg was. De weg naar Arequa is goed en gemakkelijk. De weg naar Puno is lang en hoog, maar geasfalteerd. De bus had veel moeite om naar ruim 4500 meter te klimmen. We reden lang op een altiplano (hoogvlakte) op ca. 4400 meter, waarna we afdaalden naar een altiplano op ca. 3900 meter, ongeveer de hoogte van Puno (3860 m). De bergen zijn hier mooi en afwisselend. Er zijn diverse meren, besneeuwde vulkanen en veel llama’s te zien. Één van de vulkanen is kort geleden actief geworden.

In Puno aten we eerst, want we hadden de hele dag op een ‘empanada’ (zoiets als een saucijzenbroodje met variërende vulling) geleefd. Dit keer waren er geen verkopers in de bus en geen stops om te eten, waar we wel op gerekend hadden. Het ging regenen en er was onweer kort nadat we aankwamen, dus het restaurant was tevens onze schuilplaats.

Puno is een prettige, overzichtelijke stad aan de rand van het Titicaca meer. We sliepen in een eenvoudige hostal, Las Incas, in een kamer met een mooie parketvloer, glad van de was. De muren waren dit keer met hout gelambriseerd. De bovenste helft was groen geverfd. We hadden ‘s avonds mooi zicht op de straat. We bezochten een grote supermarkt en kochten artikelen die niet overal verkrijgbaar zijn.

Het magische Titicaca-meer is het hoogste/grootste meer van de wereld. Het is 8300 km2 groot, 284 meter diep en ligt op 3827 meter boven zeeniveau. Er zijn ongeveer 70 eilanden, waarvan een aantal een belangrijke religieuze betekenis hebben.

In Aymara:

Titi = poema
Caca = grijs of rots

We boekten transport van Puno naar de drijvende Uros eilanden, de vaste eilanden Amantani en Taquile en terug naar Puno. We waren nog net op tijd voor de boot, die groter en comfortabeler was dan de boot van 12 jaar geleden. Er waren ongeveer 30 zitplaatsen en per keer mochten er 6 mensen op het dak.

We bezochten het kleine, drijvende Uros eilandje met de naam Titino (ca. 2 uur varen). Het kost een jaar om een drijvend eiland te maken en elke maand moet er een nieuwe rieten laag worden toegevoegd. Titino is het nieuwste van de ongeveer 50 eilandjes. De eilandjes geven een idee hoe de mensen vroeger leefden, maar zijn vandaag de dag puur voor toerisme. Je kunt er souvenirs kopen en met een rieten kano een rondje varen. De binnenkant van het riet is eetbaar, het smaakt een beetje zoetig. Op het eilandje staan rieten huisjes. Opvallend zijn de zonnepanelen.

We leerden twee woorden Aymara, de taal die hier in de omgeving veel gesproken wordt:

Camisaraki = hallo, hoe gaat het
Baliki = goed, bedankt

Daarna voeren we naar het vaste en grootste rotsachtige eiland Amantani (ca. 1,5 uur). Hoewel we niets hadden geregeld (de meeste mensen boeken een complete tour), werden we ondergebracht bij Hernan en Mary Flor, samen met twee Australiërs. We kregen middageten, lekkere soep met quinoa en groenten en daarna aardappelen met een zwarte schil, gebakken kaas, maïs, tomaat en komkommer. Vanwege de hoogte kunnen hier slechts een beperkt aantal gewassen worden verbouwd, voornamelijk aardappelen, maïs, bonen en quinoa.

‘s Middags beklommen we op eigen houtje de twee bergtoppen van het eiland (beide ruim boven de 4000 meter). Op de ene is de tempel van Pachamama (moeder aarde) en op de andere is de tempel van Pachatata (vader aarde). De ene is rond van vorm, de andere vierkant. De mensen geloven hier nog in Apu’s. Het uitzicht was geweldig, helder blauw water, hier en daar wat wolken en veel bruinig gekleurde landbouwterrassen, wachtend op het voorjaar. De zonsondergang richting het vasteland was mooi, vooral door de donkere wolken. Langs het nu verharde pad zitten overal vrouwen te breien. Ze proberen je hun spullen te verkopen (truien, zelfgebreide handschoenen, e.d.).

We sliepen heerlijk in een houten bed met wollen dekens in een lemen huisje met een golfplaten dak. De muren waren lila en roze geverfd en er hingen posters van popsterren (o.a. van Shakira) als versiering. We werden wakker van kraaienden hanen. Ook het ontbijt was goed verzorgd: verse pannekoeken met aardbeienjam en koffie (Nescafé) en thee.

Om acht uur ‘s ochtends voeren we naar het nabije Taquile (ca. 45 min). Dit eilandje is ongeveer 1 bij 7 kilometer groot. We beklommen het eiland via een ongelijk pad naar het centrale plein. Onderweg waren er geurige eucalyptusbomen. Het eiland staat bekend om zijn breiende mannen. Ik zag er één bezig. Jammer genoeg is het eiland erg toeristisch geworden. De prijzen in de winkeltjes en restaurantjes zijn ongeveer vier keer hoger dan op het vasteland. Bijna niemand zegt je gedag.

Nadat we aan de andere kant van Taquile afgedaald waren over een steil pad met veel treden, voeren we terug naar Puno (ca. 3 uur). We namen afscheid van de mensen en waren blij weer op ons zelf te zijn. We sliepen in het wat luxere hotel Embajador. Er was een fijne douche (op Armantani was er geen water).

Oct 142013
 

Hoewel het een lange busreis was van Alca via Cotahuasi terug naar Aplao (vertrek 16:00, aankomst 0:30), was het een comfortabele reis. Er was veel beenruimte, de stoelen zaten lekker en er waren twee langere pauzes en heel belangrijk: geen stof in de bus. De volgende keer heeft de maatschappij Cromotex onze voorkeur.

In Aplao werden we net na het centrum afgezet, maar met de Android applicatie OsmAnd en de vooraf gedownloade kaart van Perú bij de hand was dat geen probleem. We vonden al snel een fijne overnachtingsplek met goede bedden. Het enige nadeel was dat de brandschone kamer op de tweede verdieping was (in Peru: ‘derde vloer’). We houden steeds in het achterhoofd dat hier zware aardbevingen kunnen voorkomen, maar midden in een koude nacht ga je niet lang zoeken.

‘s Ochtends stonden we heerlijk uitgerust op. In een ‘pasteleria’ (banketbakkerij) aten we broodjes met de ‘palta’ (avocado) en de citroenmayonaise uit een zakje die we nog van de vorige dag over hadden. Dit is in Perú geen enkel probleem. We dronken mate anís bij het appelgebak dat we besteld hadden, die hier gelukkig niet zo zoet is. Tussen de middag aten we in het grote marktgebouw aan een lange tafel tussen de Peruvianen gebakken vis uit de nabije rivier.

Om half twee vertrokken we met een minibusje naar Viraco, in tijd gezien ongeveer halverwege naar Andagua. Ik heb ontzettend genoten van het mooie uitzicht! Eerst door een droog gebied met mooi gevormde bergen en gekleurde aardlagen. Er waren veel reusachtige cactussen en honderden meters beneden ons was er een klein riviertje. Later gingen we steeds hoger door een groen gebied met koeien, veel paarden en landbouw. De met veel sneeuw bedekte, hoogste vulkaan van Perú, Coropuna (6425 m), kwam steeds dichterbij. Aan het einde van de middag, na 3,5 uur reizen met gemiddeld zo’n 20 km/uur, kwamen we aan in Viraco (3245 m), een alleraardigst bergdorpje met een geweldig uitzicht op de groene vallei waar we doorheen reisden en met een geweldig uitzicht op de besneeuwde vulkaan. We sliepen in een eenvoudig hotelletje, zonder douche, met uitzicht op het kleine centrale plein, waar enige winkeltjes en restaurantjes zijn en hoeden worden verkocht.

Toen we terugkwamen van een vroege ochtendwandeling zag ik een vrachtwagen met hooi en we hadden veel geluk, want Alan, de aardige chauffeur, ging naar Andagua en wilde ons zelfs zonder betalen meenemen. Anders hadden we met de bus van 23:00, de enige per dag, naar Andagua moeten reizen. Dat zou heel jammer geweest zijn, want de weg naar het afgelegen Andagua is één van de mooiste wegen die ik gezien heb. De besneeuwde vulkaan Coropuna kwam nog dichterbij en de twee dorpjes beneden, waarvan we in één hadden geslapen, werden steeds kleiner. Er waren veel cactussen, waarvan sommige bloeiden, en rotsen bedekt met lichtgroen mos in de vorm van een bol. De bergen hadden allerlei verschillende kleuren, rood, lila, geel, groen, wit en allerlei tinten grijs. Er zijn koper-, zilver- en vervuilende goudmijnen (goud wordt gewonnen met behulp van giftig kwik). De bergpas was behoorlijk hoog, 4940 meter volgens mijn Garmin GPS, maar gelukkig hadden we geen last van de hoogte. Het vlakkere hoogland was rotsachtig en erg mooi. We zagen een groep llamas en een condor met zwarte en witte veren, die we eerst in de vorm van een grote schaduw op de weg zagen! Daarna daalden we af naar het bergdorpje Andagua (3587 m).

De hostals rond de plaza de Armas waren gesloten, maar met hulp van de ‘policia national’ vonden we de enige andere hostal Trebol. Op het politiebureau staat ‘Dios’ (God), ‘Patria’ (vaderland) en ‘Ley’ (wet). Hanneke gaf later de aardige agent die ons hielp een gitaarles en wisselde muziek uit. De les werd onderbroken door een ‘Incendio’ (brand). We hadden een mooie, schone kamer met een rood betegelde vloer, geel geverfde muren, houten deuren, fijne bedden en een heerlijk warme douche (fijn in de koude ochtend). Er waren een wasbak en een waslijn op een binnenplaatsje met veel zon, dus het was een mooie gelegenheid om weer een was te doen.

Andagua is een rustig dorpje. De plaza de Armas is bijzonder mooi, er is veel werk gestoken in het knippen van heggen in allerlei vormen (meer dan 100!). Er was een kleine vicuňa in het park met grote bambi-ogen. Alle mensen groeten je hier persoonlijk. Regelmatig komen er mensen op paarden of met ezels en schapen langs. Aan de rand van het dorp is er een arena voor stierenvechten, een belangrijk, maar dieronvriendelijk vermaak in deze streek. Er gebeuren veel ongelukken, want de mensen zijn vrij roekeloos.

‘s Avonds waren er kleine optochten (‘sanctuario': pelgrimstochten) met traditionele muziek (blazers en grote en kleine trommels). Er was een heldere sterrenhemel met de maan precies in het eerste kwartier en Venus en Jupiter heel helder zichtbaar.

We aten ‘salchipapas’ (zelfgemaakte patat met spaghetti en plakjes worst en verschillende sauzen naar keuze). We kochten verse gember en maakten met onze waterkoker gemberthee tegen eventuele hoogteziekte. Tijdens deze reis is dit voorlopig de hoogste slaapplaats. We hebben geen last van de hoogte, behalve dat we wat sneller buiten adem zijn.

Andagua is een arm dorpje, zoals er nog velen zijn in Perú. Alleen bereikbaar over slechte wegen na uren reizen. De huizen zijn van adobe met soms een gestapelde stenen fundering. De daken zijn van metalen golfplaten, die hier door de droogte nauwelijks roesten. Er zijn veel verlaten, vervallen huizen, vooral aan de rand van het dorp. De muurversieringen zijn posters van feesten van soms al meer dan 10 jaar geleden en een enkele kalender van een transportmaatschappij. De mensen wassen zich hier niet elke dag en dat ruik je soms. De oude mensen zien er vaak heel verweerd uit door het buitenleven, als een krent. Hier is geen internet, zowel geen vast als mobiel. Langs het huis schuin tegenover onze hostal hangt een lijn met rundvlees te drogen. Dit is één van de ingrediënten van de maaltijden. De vogels, mooie gele, vinden het ook lekker …

We gingen op zoek naar de vulkanen. We liepen over eeuwenoude ommuurde paden en over ezelpaadjes. Het lijkt hier wat op het wilde westen, overal zijn hoge cactussen, waarvan sommigen in bloei staan. Aan je schoenen blijven kleine cactus-bolletjes hangen, zo verspreiden ze zich blijkbaar. Hier en daar liggen botten van dieren. We beklommen de vulkaan Mellizo (3755 m) met bovenop een groot houten kruis. Een steile klim van 88 meter. Het uitzicht was geweldig! We konden de wat lagere, naburige vulkaan met zijn met cactussen en verdorde graspollen begroeide krater goed zien, evenals een aantal kleinere vulkanen (200-300 meter middellijn) in de verte. Vandaar de naam ‘vallei van de vulkanen’. Ook zagen we de besneeuwde top van de vulkaan Coropuna boven de bergen uitsteken en een blauw bergmeer en een waterval een stuk verderop. Anduaga lag letterlijk aan onze voeten. Ik liep rond over de rand van de krater van de 200.000 jaar oude, inactieve vulkaan. Hetzelfde deed ik ooit in Costa Rica, maar dan over de smalle en steile rand van zeven kraters van een actieve vulkaan zonder dat ik iets kon zien door de laaghangende bewolking …

In de zon is de temperatuur goed, maar je hebt hier voor de koude wind een trui nodig. ‘s Avonds koelt het af naar zo’n 8 graden. Het regent hier alleen een beetje in januari en februari, maar er zijn genoeg bergstroompjes om de mensen van water te voorzien.

De tweede avond moesten we zelf koken, want in de restaurantjes was geen eten verkrijgbaar. De mensen zijn hier te arm om naar een restaurantje te gaan. We kookten macaroni met ui, tomatensaus, knoflookpoeder, peper en tonijn met de waterkoker. De uitgelopen ui en de knoflookpoeder (een beetje in een geknoopt zakje) kregen we van het aardige vrouwtje van het winkeltje waar we de rest van de ingrediënten kochten. ‘s Ochtends kookten we een ei met de waterkoker.

‘s Ochtends liepen we nog over een mooi, stenig, stijgend en dalend, oud pad, soms vlak over zwart zand, langs geurige eucalyptusbomen, langs akkertjes naar ‘catarata’ (waterval) Shanquilay. Onderweg zag ik een paar zwarte kolibries. Het was bewolkt, dus aangenaam wandelen.

Het middageten was een aangename verrassing: soep met blokjes kaas, diverse groenten en rivierkreeftjes. Het hoofdgerecht was gebakken eipannekoek met groenten (o.a. pompoen).

Op deze route hebben we geen enkele andere toerist gezien.

Oct 072013
 

We gingen vroeg met een ‘colectivo’ van Corire naar Aplao (30 min) en daarna met een andere ‘colectivo’ door naar Chuquibamba (70 min). Jammer genoeg gaan er alleen bussen in de avond (22:00) van Chuquibamba naar Cotahuasi, dus we moesten lang wachten. We hebben het onszelf aangenamer gemaakt door een kamer in hotel Municipalidad (het stadshotel) tot de avond te nemen.

Te voet verkenden we het overzichtelijke dorpje en over oude paden, ommuurd met gestapelde stenen, de omliggende ‘campo’ (landbouwgebieden). We zagen een paar mensen enkele koeien melken. De grote melkkan werd rechtop op de rug van een ezeltje naar het dorpje vervoerd. We zagen een vetplant met bijna zwarte, langwerpige bloemen. Het is voor het eerst dat we tijdens deze reis boven de 3000 meter waren.

De bus van Inmaculada Concepción (onbevlekte ontvangenis) vertrok ruim na 22:00. De weg was slecht, maar ondanks het geschud en het vele stof heb ik wat kunnen slapen. Om half vier ‘s nachts kwamen we in het kleine bergdorpje Cotahuasi (2683 m) aan. Er was een heldere hemel vol met sterren. We belden aan bij hostal Chavez en gelukkig werd er open gedaan en was de kamer in orde. Het hotel heeft een mooie, zonnige binnenplaats met gras en rieten parasols en we konden kiezen uit vijf bedden.

De volgende dag sliepen we uit om wat uurtjes van de nacht in te halen. We aten voor het eerst yoghurt met gepofte kiwicha (amaranth). We verkenden het dorpje en informeerden naar de transportmogelijkheden, hetgeen vrij belangrijk is in afgelegen dorpjes zoals dit. Cotahuasi heeft een aardig kerkje en ligt op een plateau naast de 150 km lange canyon, de diepste van de wereld (3535 m). De omgeving is groen, hier en daar zijn er groepjes met bomen. Op de bovengrondse elektriciteitsdraden groeien plantjes (epifyten).

De dag erna reisden we met een ‘carro’ naar het kleinere dorpje Alca (2755 m). De reis was kort, een klein uurtje, maar het uitzicht op de bergen en de canyon was indrukwekkend. Het busje volgde Rio Cotahuasi in de bodem van de canyon stroomopwaarts. In het begin moesten we staan, maar twee vrouwen waren zo aardig om onze rugzakjes op schoot te nemen!

De plaza van Alca is ruim en aangenaam. Er staan drie oude cederbomen. Één ervan is hol en er zit een kleine kapelletje in. Er zijn wat kleine winkeltjes en een paar kleine restaurantjes.

We overnachtten in hotel Alcala, met geurige cederhouten deuren, uitstekende bedden en een parketvloer in de kamer. Er is een lekkere warme douche, opgewarmd door de zon. De laatste lunch die we aten, was soep met forel (en aardappel, rijst, maïs, wortel, bleekselderij, koriander) en als ‘segundo’ (hoofdgerecht) rapen (ze waren gaar) met aardappelen en munt (en altijd rijst).

Halverwege de middag bezochten we te voet (ca. een half uur lopen) het natuurlijke, warme mineraalbad ‘Luicho’, volgens de borden goed tegen reuma, artritis, etc. We kochten kaartjes voor het tweede wat warmere en rustigere bad.

In deze streek zijn vrijwel geen toeristen, behalve wat mensen uit Arequipa. De lucht is schoon en het eten natuurlijk. Vervoer van spullen wordt nog gedaan door ezeltjes. Het is hier zonnig, maar als de zon ondergegaan is, dan wordt het snel kouder. Er is nog verbazend veel wind in de canyon, wat op de dag aangenaam is.

Zowel sommige mannen als vrouwen dragen vilten hoeden. Sommige vrouwen hebben hun zwarte haren in een meter lange enkele of dubbele vlecht. Babies worden vrijwel altijd in een mooi gekleurde doek op de rug gedragen. Sommige mensen lopen op schoentjes gemaakt van oude autobanden. Jong (met of zonder kind op schoot) en oud zijn aan het werk. We zagen een vrouw die bij ons allang met de AOW zou zijn gegaan met een pikhouweel lopen.

In Alca was er wel een mobiel netwerk, maar geen mobiel internet. In Cotahuasi was er mobiel internet (GPRS), maar was het slecht bruikbaar, omdat het mobiele netwerk steeds wegviel.

We hebben een waterkokertje bij ons en hebben verschillende soorten thee gekocht: anís, manzanilla (kamille) en hierba luisa (citroengras). De meest gedronken mate (kruidenthee) in Perú is canela y clavo (kaneel en kruidnagel). We kopen er af en toe een plak que-que (cake) bij. Flessenwater is hier niet of moeilijk verkrijgbaar. Gelukkig heb ik altijd mijn MSR waterzuiveraar bij mij. Wellicht is het kraanwater gewoon drinkbaar, maar we nemen liever niet het risico om ziek te worden.

Het leven is hier goedkoop. Een maaltijd (ontbijt, middag- of avondeten van een vast menu) kost hier omgerekend minder dan anderhalve euro. Een hotelletje met gedeelde douche (vaak schoner en minder schimmelig) kost zo’n vier euro voor een nacht. 10 uur met een bus reizen kost zo’n € 7,50. De prijzen in Lima zijn twee keer zo hoog.